Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13.

De koning verschrikte, werd rood en werd bleek:

— »\Vat. leelijke zotskap, wat ? Spreek of ik steek

Dezen dolk, domme dwerg.

Door je been en je merg "

— »Och," snikt hij, «Sint Jozef! hoe kon het gebeuren, Heeft Sire te-met niet mijn zak hooren scheuren ?"

14.

'Om duidhjk te spreken, genadige vorst,

Die zak, vol met ridders! zoo dapper getors^it,

Hij is leeg — als mjjn hand I Als de schatkist van 't land I W e hebben zoo holderdebolder gereden....

Kijk, alles is hier door dit gaatje gegleden." —

15.

De goedige koning keek donker en zuur,

Maar hield zich niet goed op den duur bij 't figuu: Van den rollenden Nar,

En hoe bitter en bar In 't eerst ook zijn vorstljjke stem had geklonken, Hij had in zijn hart al vergeving geschonken.

16.

— sMijn Rijkskanselier, zijn uw tranen oprecht V' „ •Ze zijn," snikt do Hofnar, »als paarlon zoo echt."

— »Nu rijs op dan, en vlug Naar de stad maar terug!

Den zak weer gevuld in het land van Kokanje .... Betaal onderweg voor je straf mijn champanjel"

17.

De reis cndertusscben van 't hoofd van den staat Was lang in Kokanje bekend en bepraat; Och, geheimen meestal Zijn publiek overal;

Maar meer nog! op markten en straten en wegen,

Alom kwam men linten en ordetjes tegen.

18.

Dié had het bekoorlijk, verlokkend sieraad Gekocht van een Jood of een beedlaar op straat, En dié vond het op weg In een goot of een heg;

Dié liep or met drie, dié met zes, dié met negen;

Een vierde weer had het door vrouwlief gekresen.

19

Dié kreeg het uit achting kadeau van een vrind, En dié zocht zich blind om een leeuw en een lint,

Sluiten