Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beloofde voorspraak en zijn meisje bleef hem trouw

Maar de oude heer kreeg bij zijn naam alleen kongestie, £11 wou — als Oostenrijk — niet hooren van amnestie I

LY.

De zachte politiek van de allerliefste vrouw,

De zuchten van de min, de tranen van 't berouw Vermochten niets: hij moeBt zijn ridderlintje wreken En wou mijn armen vriend niet hooren, zien of spreken.

't Was nu een jaar geleên; dees kwijnde van verdriet En zag in al dien tijd zijn sweetheart bijna niet.

Alleen 't vertrouwen op haar moeder deed hem leven,

Die als zij d' arme zag nog altijd hoop bleef geven.

LVI.

Begrijpt gij nu waarom die gouden bracelet Den vader zoo in Yuur en vlammen had gezet?

t Kadeau was op zich zelf ook taamlijk onverstandig,

Maar minnaars, vrienden, zijn ook meestal vrij onhandig En zoo lichtvaardig, dwaas, vermetel, onbedacht,

Als ik of mijn verhaal, dat iedren vorm veracht,

En dat mij mettertijd ook wel eens op kon breken Als 't, op den keper, door de heeren wordt bekeken....

LVII.

Maar dat 's van later zorg I Nu .... is het Sint-Niklaas, En — 'k hoor reeds in den gang, dunkt mij, een vreemd geraas, Iets, als 't rinkinken van een keten. «Hij zal 't wezen,"

Staat in het schichtig oog van 'tjonge volk te lezen.

Toch houdt zich ieder taai en zucht: »Ik ben niet bang." «Courage 1" roept een oom, en 't Sint- Niklaas-gezang Wordt aangeheven met veel trillers in de toontjes,

Veel blikken naar de deur, veel lelies op de koontjes.

LVIII.

De drift intusschen van den Ridder is bedaard,

Schoon hij nog woedend soms naar zeker doosje staart,

Daar ginds apart gezet. De drukke kindren krijgen Allongs weer de overhand, na pijnlijk spannend zwijgen,

Gevolgd op vaders speech. Ons meisje houdt zich goed En schept in moeders blik haar hoop, haar kracht, haar moed. En 'k zie do laatste wolk van 't dierbaar feest verdwijnen, Nu 't uur genaakt waarop de Bisschop zal verschijnen.

LIX.

De keten rammelt nog en vreeslijk luidt de bel,

Een stem bromt in den gang: nis alles hier nog wel ?"

Of zoo iets. Dan op eens hoort m' aan de zaaldeur kloppon, En eensklaps is de grond met krieken, manglen, moppen.

Bonbons en ulivels bezaaid. De kleine schaar

Sluiten