Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet brandde en gloeide en beet op 't puntje van mijn tong i Zoo 'k niet mijn groot Paskwil ten voeten uit wou teekenen En met de waarheid en de domheid af moest rekenen I

LXXXV.

En zoo ik nu al zweeg en wierp dit prul in 1 vuur,

Toeh kwam 't geheimpjen uit en — ter onzaalger uur 1 Het baat vorst Midas niet of hij met duizend lorgen Zijn akelige kwaal geheim houdt en verborgen ...

Wat fluistert daar in 't veld ? Zoo zouden vroeg of laat,

Waar onze Held passeert, de keien van de straat.

De winden over 't plein dien schrikbren kreet doen hooren: Die man is ridikuul, die man heeft ezelsooren I

LXXXVI.

Dies, 't vonnis is geveld, daar niets den dwaas behoedt; Hij worde ridikuul van top tot teen ! Grijpt moed En luistert! Als ik zei, de Ridder brak het lakje,

Verscheurde de' omslag toen en vond — een ander pakje Maar op dat pakje een brief, oen brief aan zijn adres.

Met al zijn namen (drie) en al zijn titels (zes),

En op dien brief een lak met een hoogaadlijk wapen,

Dat hij een heele poos verbluft stond aan te gapen.

LXXXVII.

«Die brief, die hand, dat schrift, dat lak, dat wapen, 't is... Het schijnt me, neen, ja toch! ik heb het zeker mis .. Hij kan — is 't hoop of angst of drift? — met moeite spreken. Hij durft het aadlijk lak zoo maar met openbreken

En vraagt een schaartje — en knipt met eidderonde hand Het heilig zegel los van d' een en d' andren kant!

Hij rolt zijn blik in 't rond en leest op ieders wezen,

Maar vindt geen antwoord en besluit den brief te lezen.

LXXXVUI.

Een groote stilte daalt en heerscht op ons tooneel; Een ieglijk houdt zijn vraag, zijn uitroep in de keel; De Ridder, door een kring van elastioko nekken Omgeven, plooit vergeefs zijn gêagiteerde trekken.

Hij schuift ter zijde, alleen, ontvouwt zijn brief, verteert, Verslindt dien met zijn oog en — vrat don stumper deert: Stokstijf, bewegingloos, krankzinnig blijft hij staren,

Pal — als de huisvrouw Loth's, het puik der zoutpilaren 1

LX XXIX.

Zijn oog is opgesperd, zjjn mond gaapt wijdor dan Een kostschooljongen voor een biefstuk gapen kan!

Zijn adem stokt, zijn pols houdt halt, zijn edel wezen Is gansch verbouwereerd: die brief heeit hem belezen.

Zeg is die man verstomd, verplet door vreugd of rouw?

Sluiten