Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Hè 1" valt de Ridder in en valt op 't doosjen aan .... En o, yoor mij, die weet wat ieder »hè" beteekent,

Zijn. hoorders, al die xhè's" hartbrekend en welsprekend.

xcv.

In 't oog des Ridders welt een groote vreugdetraan;

Hij ziet zijn vrouw, zijn kroost, zijn knoopsgat teeder aan, Dan strekt hij de armen uit in theatrale ontroering En — als een slecht akteur in tragische vervoering —

iDoes dag — zoo barst hij los — blijft onvergeeflijk schoon! »Hoor, ik ben kommandeur! kijk van den Eikekroon I"

En hij drukt alles aan zijn rok, zijn vrouw, zijn zoontjo.

Zijn dochter, broer, neef, nicht en 't meest zijn.... Eikekroontje I

xcvi.

De groote kommandeur zijgt in een armstoel neer,

Hij was kapot van zooveel vreugde, zooveel eer,

En met zijn dier kleinood nog beter in zjjn nopjes Dan met hun suikergoed mijn blonde kinderkopjes! —

Ik kan met dozen Leeuw nu doen al-wat ik wil,

Zijn rijkdom maakt hem zacht, zoetsappig, lief en stil,

Hij laat zich eindloos, als een lam, feliciteoren ...

Ik wil oprochter zijn — ik zal hem kondoleeren.

XCVII.

Toen eindlijk iedereen in 't breed of in het kort,

Een oom, bijzonder vol, het hart had uitgestort,

Toen de eersto roes dor vreugde een weinig was geweken,

Toen 't snuisterijtje nog wel twintigmaal bekeken,

En daar bepaald was dat onmiddellijk de faam,

Bij monde van vier knechts, den versch gekroonden naam Des nieuwen kommandeurs aan al zijn riddervrinden Zou gaan verkonden naar de hoeken der vier winden;

xevm.

Toen een der kindren op zijn vingers was getikt,

Die — heiige onnoozelheid! — aan 'tkruisje had gelikt:

Toen Sint-Nik!aas op nieuw zijn recht had laten gelden, Om 't kommandcurskruis vast bij 't ridderlint te spelden Op 's mans doorluchte borst; toen hij een groot kwartier Zich zelf bewonderd had met kinderlijk pleizier:

Toen sprak hij nog eens tot zijn vrouw : »'k Word^ongeduldig Mijn schat! Gij zijt mij nu een explikatie schuldig."

xcix.

'tls treffend dat do man, als bij instinkt, zoo wist Dat hjj te doen had hier met vrouwelijke list,

En zoe gedwee zich onderwierp: mijn oedle Heeren,

Laat ons dit groot geheim bescheiden respokteeren!

Een vrouw die zulk een dwaas door fijn verBtand regeert.

Sluiten