Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ HET

Terwijl ik staar in 't spiegelglad

Van 't zilvren nat,

Schud ik mijn hoofd: wie ben ik ? Ja, hooge Hemel: Hoe, wie, wat?

Wat wil, wat weet, wat ken ik? Zie hoe hij lacht — die dwaas, die guit,

Die leelijkert in 't water :

Mijn help! mij-zelven lach ik uit Met wonderlijk geschater.

1850.

BEEKJE.

O menschenhart, o menschonhart,

Verschrikt, verward, Vol zonden, dwaasheên, wonden: Ik gaf mijn zoetste en liefste smart,

Mocht ik mij-zelf doorgronden. Een lach klinkt uit het golvenbed;

Dat wil zich-zelf begrijpen ! Zoudt ge ook uw beeltnis hier te-met In de ooren willen knijpen 1

GEZOND VERSTAND.

Gij zijt het zout der schoone dicliterzangen En zonder u is dichtkunst — ijdelheid;

Gij zijt de zon, die licht en leven spreidt

In 't jong gemoed, vol onbestemd vorlangen, Vol droomen, vol govoel, vol dweperij;

Gij vormt ons hart tot ware poëzij!

Gij wijst den Man den rechten weg door 't leven, Want gij verzoent den jongeling met de aard, Die hij zijn werk, zijn kracht, zijn liefde onwaard

Gekeurd had; en gjj heiligt al zijn streven Tot menschenheil uit reine menschenmin, En prent hem 't doel des aardschen levens in I

Gij rukt van uit der menschen sclieemrende ooge» De balken van vooroordeel, zelfzucht, spot; Gij wijst ons van het leven 't waar genot.

Uw heldre blik verfoeit de sohoonste logen,

Maar vergt voor iedre waarheid ons ontzag, Ook die 't vernuft ons niet ontraadslen mag.

Gij leidt ons tot erkennen en gelooven

Der waarheid, die het zondig hart geneest, Gij zult den menach beschermen, goode geest 1

Waar 't onverstand hem alles wou ontrooven. 't Gevoelloos hart en 't dwaze hoofd alleen Spot mot geloof en zijn veruorgenheên I

O, 't krank gevoel wekk' soms uw mededoogen, Toch rooft gij 't hart zijn eerste rechten niet, Of lacht en spot, waar luid zijn stem gebiedt.

Gij zijt een gave, een lichtstraal uit den Hoogen,

Sluiten