Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kogeltjes, die zoo vroeg zingen, krijgt de poei.

Wit rest, gelakten voet, vol ernst, vol puf, vol wind. }'"■■■'5na*r holil> lk vrees tü' grapje zal mij rouwen! 1861 ZetterB en ant€nrs nn ^el te vrind gaan bouën.

VOSELTIES, DIE ZOO VKOEG

Een vogeltje vroeg in den morgen, Zong vroolyk en zonder veel zorgen,

Ais vogelkens zijn, een lied, O vogvl^e, ! 1 ofi toch uw snater! O dealt asm den loerenden tater

urj zing»...ge ontsnapt hem niet.

Een dichUr$K vroeg in den morgen Des levei», jong «onder veel zorgen,

Al» diehteren tïju, een lied. O zangertje, hou toch uw snater! O zie toch dien loerenden kater, Dien kritischen, spottenden sater — Isa.

ZEGE*, KIDGT DE POES.

Gij zingt...gs ontsnapt hem niet.

Het vinkje bezweek onder wonden En klauwen, en werd verslonden,

En 't was met het vinkje geduan, En de ander? -— hij scheurde rijn (kleêrtjes

ün het er een bnrulolti»

Maar vloog toch weer op in de sfeer" . (tjes,

En spoedig ook grooiden nijn vetrtje», Veel mooier, Meneertjes,

Weêr aan.

BLADVULLING.

Een bladvulling vit gij gaan schryven,

Hier voor dit slecht gevulde bind ?

Och, — *k zou het maar wit laten blijven!* Daar worilt genoeg papier beklad

Sluiten