Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXVII.

BEURT OM BEURT.

VADERLANDSCHE KERKGESCHIEDENIS.

In Utrecht» heeft voor jaren her Van Heusde's licht geschenen. Met 's mans disciplen toog zijn leer

En licht naar elders henen. In 't Noorden heeft toen jaar op jaar

Een starretje geflonkerd;

Uw star, doorluchtig Leidenaar,

1859.

Heeft nu zijn plans verdonkerd. Doch — dit is duidlijk — ook aw licht

Moet op zijn tijd weer kwijnen

En dan ? — o Goónl dan is het Sticht Weer aan de beurt, om met nieuw

a (licht

Ons Neerland te overschijncn.

XXXVIII.

VAN HEUSDE'S SPREUKE.

Veel wordt bewezen dat toch in den grond niet waar is, En veel is eeuwig waar, ofschoon 't bewijs niet daar is.

XXXIX.

TWEE EORYPHAEËN.

„Gek zijn wij een van beiden, wij",

Zei de eene Theoloog tot de' ander.

„Wat^ wij gelooven toch strijdt lijnrecht met elkander: Dit s evident voor u, dat's evident voor mij — Dus, een van tweeën is maar mooglijk: ik of gij.... Of beide, dacht er een en — ging voorbij.

XL.

DE STAND DER ZAKEN.

EEN SCEPTICUS.

EHoe 't n i e t is, zeggen ons de heeren; Maar hoe liet is, mijn goede liên,

De Tijd of de Eeuwigheid zal 't leeMisschicn. (ren —

XLI.

EEN ONTEVREDENE.

^Wij zijn thans bezig al den rommel om te halen; De waarheid, voor-als-nog, blijkt moeilijk te bepalen,

Maai t komt terecht; 't is slechts een tijd van overgang..."

k Wou dat hij overging; ddt zeggen ze al zoo langl

Sluiten