Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LXXXI1.

VASTHOUDERS.

»Ik hond maar alles rast."

Dat strekt u niet tot eer;

Wie tooh den Rotssteen heeft, hangt aan geen stroohalm meer.

LXXXIII.

UITZETTEN.

(aan onze ketterjagers).

»Zet ze uit de kerk!" dus roept ge luid. Zet liever gij uw kerk wat u i 11

L*XXIV.

ENFANT TERRIBLE.

Met dien kinder-ketternaam Kroon u ! hij meldt lof voor blaam ; leidt oprechtheid, rein van vonden, Die, glimlachend in 't gevaar, Onder de officiëele schaar

't Een en ander komt verbonden, Dat aan de üomes wel mishaagt, Tante schrik om 't harte jaagt, Doch — een merk van waarheid (draagt!

LXXXV.

VOORZICHTIG.

erkond wat gij gelooft en denkt, I Dat uw opinie niemand krenkt, Mits gij 't maar zóó bewerkt, j En dat geen schepsel 't merkt!

LXXXVI.

TE VER GAAN.

Te ver! wat meent ge er moe? spTeek juister! zeg het mjj, Te ver — is dat het doel, of wol uw neus voorbij?

LX XX VII.

BEGINSEL EN KONSEKWENTIE.

Het onderzoek is vrij: doch, wat gij vinden moet —

En anders hebt gij 't zwaar in dit en 't andre leven! —

Is bijgaand Rezultaat; want dit alleen is goed,

En al de rest wordt door den Duivel ingegeven.

LXXXVIII.

MARTELAARS.

»Ik heb geen meelij met zoo'n would-be-martelaar."

Ik wel: het ijdle kruis der Eerzucht weegt zoo zwaari

Sluiten