Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zf:o spreidt de Liefde, (de Echte, hoor!

De \Yaro, streng van zeden I) Thans in het rona (pas op uw oor I) Haar goedertierenheden.

Zij werkten—bidt,watsmaad ze droeg

Van flauwe tegenstanders, Die spotten: «Liefderijk genoeg — Maar lieflijk is toch anders!'

XCII.

VERDRAAGZAAMHEID.

Wat meer verdraagzaamheid ! Voorwaar,

De strijd wordt onbehaaglijk I Ook wij zjjn wel verdraagzaam — snaar Do rest is onverdraaglijk 1

xcm.

DILEMMA.

Verdraagzaam was ik — zeer! Toen heeft dat volkje mij

Voor onverschillig uitgekreten;

'k Werd boos, dat spreekt! en nu — nu vragen ze, even vrjj: Of dat verdraagzaamheid moet heeten?

xciv.

VAN BOVEN NAAR BENEDEN.

Toen ik met dien Hooggeleerde Op zijn kamer redeneerde;

ln dien heilgen, veilgen kring Wijsheid van zijn lippen ving; Toen hij, zwevend boven de aarde, 't Universum, mij verklaarde, Op zijn onweerspreokbren toon, — Och, wat klonk dat waar en schoon! Even iogisch als verheven ! Menschenvrijheid, Godsbestuur, Do orde en wijsheid der natuur, Goed en kwaad, het doel van 't leven.... Hij zette alles wonderbaar Uit elkaêr en in elkaêr!

Zoo iets had ik nooit vernomen, 'k Was «bevredigd" en ik vond Niets dan orde en licht in 't rond.... Maar op straat teruggekomen, Op de Markt, daar ving mijn strijd Alweer aan gelijk altijd ;

1S60.

'k Raakte fluks de kluts weer kwijt; Al mijn idealen vloden

Plotsling — voor 't verward gerucht Van de droeve kermisklucht; Voor een troep verkleede Joden,

Die, de beenen in de lucht,

Onder duizend apensprongen,

Vast naar 'tdoel des levens dongen! Voor het bleek en scheel gezicht Van een zieklijk, jankend wicht, Op éen orgel vastgebonden,

Lijdend voor zijn moeders zonden, Reeds tot beedlen afgericht! — God I wat last van zwarigheden, Die op eens mijn ziel bestreden f

En ik dacht, wie 't kwalijk neem' r Wijsheid moog ten hemel streven, — 't Schijnt me, of 't raadselvolle leven Droevig lacht met elk systeem!

Sluiten