Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan fluistren de avondwinden

Mij zangen van weleer,

'k Hoor namen van mijn vrinden....

'k Zie al mijn jonkheid weer; Dan klaag ik aan mijn duinen

Mijn opgegaarde smart,

En 't lied uit de eikekruinen Stort balsem in mijn hart.

En ware ik Heer in 't leven,

Neen, neen, ik scheiddo niet; 'k Bleef nestien in dees dreven En zong u lied op lied. Bloenendaal, 1854.

Ik leefde van mjjn droomen

En nederig fortuin,

In schaüw van de eikeboomen, Ginds aan den voet van 't duin.

En niemand zou daar vragen:

Hoe welkte uw poëzij .... Een bloem van korte dagen —

Nog vóór liet zomertij >

Neen, 't hart is vol verhalen, Vol zangen mijn gemoed — Maar 'k dierf de lucht dor dalen, Die 't lied ontluiken doet 1

KINDERZIN.

't Klein volk da t buiten zich zoo vrij

In 't leventje verheugde,

't Is nu 't weer oprukt even blij: In stad wacht nieuwe vreugde 1

Grootmoeder is niet wel gemutst, Daar geen der dartle kleenen, (bückert.)

Die zij bedroefd ten afscheid kust, Zelfs met één oog kan weenen.

Wie als een kind zijn dag geniet,

Zal nooit zijn dag bekladen En schept, wat kome, in 't nieuw verWeer altijd nieuw behagen, (schiet

DE PROEFSTEEN.

Wat go op aard begint, begeert, I Want een proefsteen is 't gebed, Eerst het hart tot óod gekeerd! I Of het strookt met 's Hemels wet.

TOEN IK EEN KNAAP WAS.

Toen ik een knaap was in 't zorglooze leven,

Gordde ik mij zeiven en liep naar mijn lust;

Vrij in mijn wandlen en zoeken en streven,

vrij in mijn reizen, mijn droomen, mijn rust.

Straks ook voor mij is een ure gekomen,

Ure van roeping, 'van ernst, van gena,

Dat in mijn boezem die stem werd vernomen:

Hebt gij mij lief? — en mijn ziele sprak: Ja.

Sinds mij dat uur uit mijn droomen kwam wekken,

Leidt mij een ander, ook waar ik niet wil,

Leert mij 'de handen steeds williger strekken,

Volgen en dragen, ach, vroolijk of stil.

Sluiten