Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neuriet, stillekens en 2oet,

Ras vergeten liedjes; Allervriendlijkst begeleid Door het lief geluidje,

't Liedje der gezelligheid,

Uit het stoomend tuitje.

Poëzie schuilt overal,

Overal, mijn vrinden 1 't Is de vraag maar wie haar al,

Wie ze niet kan vinden.

Menig schilder heeft geen oog

Voor een binnenhuisje,

Tc Weet poëten duf en droog,

In hun smaakloos kluisje,

Menig boezem blaakt alleen Voor het hoogverheven' — Mij trekt alles, groot en kleen In dit lieve leven I

Doch, mijn kleintjes 1 gij het meest,

Springende gedichtjes,

Tintelend van leest en geest,

Aangebeden wichtjes I U ook moet dees avondstond

Allermeest bohooren,

U, mjjn oudste, zacht en blond,

Lieflijke eerstgeboren I U, mijn jongste, dwaas en blijd,

Pittig donkerbruintje, Die voorwaar geen scliaduw zijt Ia ons levenstuintje I

Haalt uw schatten voor den dag I

Zal ik u een toren Bouwen, dien we met één slag Schaatrend weer verstoren ?

Moet ik ook, al wederom,

't Beestenspel verklaren? Leeuwgebrul en beergebrom

Pogen te evenaren ?

Wilt gjj met de komenij

Of de zuurkraam speten f Wet zal 't we/en »nu orei«' 1

?»sn 't, heusch, niet schelen.

Niets van alles! — half tevreê

Komt men vleiend nader, 't Liefste speelgoed van mijn twee,

Dat's haar jongo vader! Als zoodanig meer geliefd

('k Zog het zonder jokken,

Schoon 't mijn eigenliefde grieft) Dan — de doos met blokken! Meer dan 't wilde beestenspel

Zelfs, trots aap en beren I Van uw kindren kunt gij wel Lenige' ootmoed leeron!

't Speelgoed dan wordt nu met list,

Vleien, plagen, lokken, (Kinderliofde is egoïst)

Naar den vloer getrokken, En daar vangt jo t leven aan I

Lustige oogjes glooien,

Mondjes, handjes, voetjes gaan,

Bij het rustloos stoeien !

'k Geef mij aan uw armpjes prijs,

O mijn krullebolien!

'k Laat, naar koninkljjke wijs, 1 't Volkje met mij eollon.

Moeders oog staart vroom en zacht,

Op liet dwaas tooneeltje ; Ik geloof wel, daar ze lacht.,

Dankt zo voor haar deeltje. Ik geloof wol, zij geniet

(Schoon haar de ooren tuiten!) Meer dan eens, bij 't smaohtend lied,

Dat ons streelde, buiten,

Als wij samen hand in hand, Aan zijn toon gekluisterd, | Dwaalden door het droomenland, Daar men dweept en fluistert

Half gebluscht is 'teerste visr,

Purpren koontjes blozen!

Op het wild gegier, getier

Volgt een zoet verpoozen. Dan bekomend van 'tgojoel,

Onder duizend grappen,

Zitten we in don grooten stoel

Sluiten