Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb wel alle dagon.

Gelijk mijn plicht mij riep, Dat hartje gaê geslagen, —

Maar 't kinderhart is diep!

Vast zou ik minder schromen

Had ik, als andren doen, Een stelsel aangenomen Om kindren op te voên.

Doch mooglijk zou 't niet passen,

Schoon anders overal, (Een ding kan ons verrassen I) Juist hier in dit geval.

Dus vraagde ik God een lesje —

Daar kwam zij aangetreên, 't Hooghartig zondaresje,

Gebogen, week en kleen;

Van-zelf met wanklo schreden, Met schaamte in blos en blik,

Gants droevig ontevreden Op eigen leelijk lk.

Daar kwam zij aangetreden

En kuste mij zoo teer,

En heeft haar schuld beleden — Raad wat ik hieruit leer?

't Geval was mij een teeken, Een teeken trouw en goed : » Wacht — bidt! God zelf wil sprekea Temet in 't jong gemoed:

»En weet, wat rede of roede

Ooit vaardig breng' terecht — Méést werkt de kracht ten Goede Door Hem in 't hart gelegd.

»Wat zwakheid moog bederven,

Uw wijsheid doet voel meer Vaak 't wonderbloempje sterven, Daar kiemend tot Zijn eer!"

WAAR HET MEESTE WORDT GELEDEN.

Het knaapje sluimert! maar de moeder aan zjjn sponde Bespiedt de onvaste rust van 't krank en lijdend kind;

Ach, hoe dat hoofdje gloeit! 't Is alles stil in 't ronde,

Doch in heur ziele niet, die vreest, zooveel zij mint.

O God, waar hier op aard wel 't innigst wordt gestreden t.... Aan 't kinderziekbed, Heer! Daar buigt ook 't twijflond hoofd

Des fieren mans zich neer met staamlende gebeden ; —

Geen moeder die niet bidt en in haar God gelooft!

Aan 't kinderziekbed, Heer! daar worstlen in de harten Gedachten, waar het hart voor week wordt of voor breekt.

Daar lijdt een liefde, die bij 't foltron van haar smarten, Uw liefde zoeken moet en vurigst tot Haar smeekt.

Ook nergens, stil geloof, is deze Liefde u nader,

Dan waar uw lijden klimt, bij 't klimmen der gebeên...

Van 't krankbed van ons kroost trekt gij ons hart, o Vader.

Ten Hemel uwer kindren heen.

1857.

Sluiten