Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUCKERT'S EGOÏSME.

Kweek maar ieder, vroom en bljj, I Tooit de roos zich-zelve — zij Zijn geluk op aarde I j Siert metoen de gaarde.

Lente lacht in onze dnlenl 'k Durf niet treden in mijn hof,

Vol van geuren, kleuren, Btralen, Zonder liedeko van lof.

Met de takken, met do knoppen, Loopen al do meisjes uit.

En de jonge boezems kloppen Voor de milde Lentebruid.

Vreugde, liefde, trooste, zegen Brengt zij in haar bloemkorf mee,

Al haar vrienden aêmt zij tegen Levenslust en hemelvree I

Nu, de kranke mag vreer hopen, — Kan men sterven in de Mei?

Zijn gevangenis gaat open,

En hij rullet de groene wei!

't Geemlijk oude-vrijersharte, Vol gemaakten vrouwenhaat,

Voelt een wonderzoete sinarte: Peins;: het is toch nooit te laat.

't Stijve bestje komt zich warmen, Lachend in don zonnegloed;

En in 't kluisje van Gods armen Daalt weer leven«vreugd en moed.

Lente, voor uw zegeningon,

Looft, wie zestigmaal u zag;

En — mijn kind, voor haar seringen, Dankt u met haar liefsten lach.

Ik — o, troost en vreugd der aarde, 'k Min, ik groet u duizendmaal.

Zend mij nu ook, in miin gaarde, Toch een eaklen nachtegaal.

OP BEIS.

InUrlak«n, 6 Aag«fta« 195& Ach, 't valt mij niet meer licht alleenig rond te dwalen

En de oude reislust word me een bron van strijd en smart l Mijn geest geniet wel — maar mijn hart,

Mijn hart is ginder in mijn Hollands dierbre dalen:

Neen, land vol majesteit, neen, bij uw wondren niet,

Schoon wo in deez' vrije lucht ook ruimer adem halen,

Schoon dag aan dag ons oojr uw bergen blinken ziet In reinen morgenglans, in prachtige avondstralen l

Mijn hart is thuiB.... is ginds, waar zich een neodrig duir Van uit den lommor beurt der duistre donneboomen —

Getuigen veler liefde en stille dichterdroomen —

Aan 't einde van een rozentuin;

Daar op dees oogwenk vast mijn lievo kindren spelen,

De bloote voetjes in het witte, warme zand,

Sluiten