Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hitte des daags drukt ons neder

En donker daalt menige nacht; Wij gaan — en wij komen niet weder, Waar 't luchtje zoo mild was en (zacht;

Waar lieflijk de levensstroom ruischte, En vroolijk uit bloemhof en dal De wildzang der vogelen bruiste En 't hart sloeg met jubelgeschal!

Hoe kwijnden en bloemen en zonden !

Veel trouwe gezichten zijn heen: De reis, zoo gezellig begonnen, Werd somber en eenzaam meteen.

Wat vloodt ge ons, gij lieve, gij goede?

Keert weder ten steun op ons pad! Wij loopen en worden zoo moede, Wij wandlen en worden zoo mat!

Zij keeren niet weder, de dooden, En 't omzien wekt ijdele smart; Wat staat gij ? •— de rust is verboden 1 Geen ruste, al bezweek ook uw hart.

Noch omzien, noch schreien, noch (klagen

Vertroost, vernieuwt ons dekracht... Mijn ziel, laat een psalmtoon udra-

(gen,

En klink', o mijn harpe, te nacht:

Wij slaan naar de bergen onze oogen,

De hulpe zal komen van God: 't ls Hij, die uw tranen zal drogen, U leidt op den weg van uw lot 1

Vaartwel dan, gij lachende dreven ! En vredige aaien, gegroet I

Berg-op gaat de weg van ons leven, Wij stijgen met manlijken moed.

Al buigen, in treurig gepeize,

Wel vaak onze zielen zich neer, De korte verdrukking der reize Vindt ook haar vergoedinge weer.

Wij kennen en — kussen de roede, Die rustloos ons drijft op ons pad, Wij loopen en — worden wij moede — Wij zoeken ook de eeuwige Stad!

Geen rusteloos zwerven en smachten Is 't leven: een Doel licht ons voor; En worstlende winnen wij krachten, En dwalende vinden wij 't spoor i

Een Machtige steunt ons en schraagt

(ons,

Wij struiklen: Hij richt onzen voet; Wij vreezen, wij vallen.... Hij draagt Getrouw over bergen en vloed! (ons

Zoo vreest niet! laat rijzen uwpsal-

(men,

Laat vroolijk langs afgrond en rots Het moedige reislied weergalmen, Het reislied der kinderen Gods.

Wij wachten met dankenden hoofde Uw heil en uw waarheid, o Heer! En wat het verleden ons roofde, Geeft schooner de toekomst ons (weer.

Steek' de zon, daal' do nacht, Gij (Algoede!

Zijt schaduw en licht op ons pad ;— Wij loopen en worden niet moede, Wij wandlen en worden niet mat.

KOUWBEKLAG.

God heeft u zwaar beproefd! — Ik weet Eén troostgrond maar: dat Hij het deed.

185».

Sluiten