Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ILLiïTJE TAN DEN TOREN.

vt i ■ , Fiat TOlnntM

ISovember t laatst, maar even toch,

door storm en sneeuwjacht heen Was ze uitgewipt naar Moeders hui»

met overhaaste schreên.

Men knorde op 't ouvoorzirhtig kind;

zij — kuchte, met een laoh....

Doch 's avonds van dat wit gelaat

ontroerde wie haar zag.

En sedert ving haar lijden aan;

de kiem der wreede kwaal, »Die langzaam moordt, als sluier»! git',

eu wis, als t grievend staal,"

Schoot wortl8n in heur jonge borst....

Een blijcio lentegaard....

En de arme kunst zocht weer naar t kruid,

dat nergens wast op aard.

Het einde was beslist; doch zij

verdroeg iiaar kruis, als meest Haar kruisgonooten, 't hart vol hoop,

met plannenrijken geest.

Zjj leed, met lieve lijdzaamheid,

ook waar van week tot week Trots korte vleugjes v.,n herstel,

haar teedre kracht bezweek.

Toch, dat eentonig leventje,

mot zorg bewaakt, verdeeld, —

Was ze ook niet moe als nichtje een uur

had aan haar zij gespeeld? — Dat dobbren tusschen hope en vrees.

die voorgeschreven rust,

't Was wol een kruis, een bittor kruis,

voor lieve «Levenslust"I

Ach Levenslust I... in beter tijd,

Zoo schertsend, noemden haar De vrienden van haar schoono jeugd,

eone teedre vriendenschaar.

Die zij, eon zonnetje in haar huis

en feest van 't huislijk feest,

Bezielde door haar lieflijkheid

en rjjken, dartlen geest.

Sluiten