Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want levenslustig was hear aard,

zij lachte, nimmer moe, De jonge vrouw, vol kinderzin,

het lieve leven toe.

Geen zorg boog licht dut hoofdje neer;

en niets, een rozeknop, Een zonnestraal, oen lief gelaat

wond haar jong hartjen op.

Daar geurden rozen in haar ziel,

een nachtegalenkoor Sloeg in haar reine borst, en sloeg —

temet eens vroolijk doorl Zij kon vertellen als een fee,

vol dartle fantazjj,

En op haar lippen zweefde graag

de schalke plagerij.

Toch waa ze ook ernstig ja en vroom —

doch somber was zjj nooit! Haar ernst was in geen rimpel, neen,

nrnar in een lach geplooid. Dat vroolijk hartje was ook diep,

doch in zijn diepte scheen Een licht van Liefde en Hoop 1 dus wierp

het stralen om zich heen.

Zij bloeide in do eerste buwljjksjeugd,

als 't bioempjen in mooi-weer Zij tooide met haar blijden zin

haar leven en verkeer; Zij schiep een wereldje om zich heen,

Vot geest en vol geluk, Waarin haar geestje zicli bewoog,

gezellig, vroolijk, druk.

Hoe deelde ze aller lief en leed!

haar hanrldrnk was een trnnat

naar zih ren stem een toestgezang!

haar vriendschap, onverpoosd, Was hier en daar en overal,

waar voor die gulle ziel Een jarig kind te omhelzen, of —

een traan te drogen viel. Want zjj liep uit vast iedren dag:

zjj stak, door weer en wind,

Sluiten