Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zorgloos neusjen in de lucht,

dat onvoorzichtig kind. En plaagden haar de vrienden soms

om haar uithuizige' aard, Dan zuchtte zij: het blijft ook nog

zoo eenzaam aan mijn haard!

Doch waar ze kwam, zij deed u goed,

zij sleepte u, kozend, mee; Zij spreidde lichtjes om zich heen

van vroolijkheid en vree; Zij tierde en bloeide: een schoone bloem

in 's levens lentehof....

Totdat op eens de Noordewind

haar ranken stengel trof!

Na denk u dartle Levenslust

gevangen in haar kluis, Van week tot week, van maand tot maand,

en weeg haar bitter kruis! Men hield haar stil, men hield haar klein,

lang praten leek haar ni«4, En menigeen klopte aan haar deur,

dien men niet binnenliet.

Weleer, hoe vlood die winter om,

dien ons haar frissche larft, De Lente der gezelligheid,

zoo vaak te prijzen plag • Nu, 't was haar drukste feest wanneer

haar kleene naamgenoot, Van tijd tot tijd, een mooien dag,

mocht spelen aan haar safaecè.

Haar woning was niet vroolijk ook:

door kleine vensterruit Zag 't ruim, maar somber ziekvertrek

op 't stille kerkplein uit. Slechts was daar Zondags wat re zien,

en dikwijls vraagde zfj: »Och wandel soms een stupjen óm

en ga dan hier voorbij!"

En wie het deed, die werd beloond

met d' allerliiifsten knik ; Zij stond een schreê van 't venster af

en volgde u mot haar blik

Sluiten