Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo toch Uw hand, o Heer, yoor mij,

dat Haantje eens keeren wou Kaar 't Zuiden heen, Gij knnt het toch!

hoe ik U danken zou ...

Wat omging in haar ziel T.... Zij stond

en staarde, als wachtte ze af, Of ook haar bede werd verhoord

en God een teeken gafl Ze ontwaakte op eens: ze ontroerde zelf

Tan 't spel der fantazie;

Keek naar de lucht keek naar de kerk,

en zei: »Uw wil geschiê."

Des andren daags maar even wierp

ze een blik naar buiten toe, Half zegeTierend, kalm. beslist,

half strijdens-. hopens-moe, En toen — niet meer ! Zelfs dagen lang

ging nu 't gordijn niet op — Intusschen wachtte op zonneschijn

nog steeds de rozeknop.

Maar eindlijk op een Junidag,

Vol zomerglans en geur,

Daar rolde een epen rijtuig aan,

dat stilhield Toor haar deur .. En zij ? Ze was genezen ook,

de li^Te LeTenslust! Zij ging..., haar bracht een zwarte koets naar Buiten, in de rust.

Een jonge man, geknakt van rouw.

een kleene rrier-denschaar, Volgde — en hun ziele Tolgde mee! —

de aanaoenelijke baar;

Naar 't Haantje van den toren keek,

met droeTen glimlach, één: 't Blonk in de blauwe lucht en wees —

naar "t zoele Zuiden heen.

D«em-er 1S57.

SCHITTERENDE STARRE.

Ik zag een starre schittren, 't Was in twee dierbare oogen,

Maar 't was niet aan den trans; Een starretje vol glans.

.

Sluiten