Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een man in de boosheid, een man in 't verstand — Die heerscht in de wereld met krachtige hand.

Een man in de boosheid, een kind in 't verstand — De schelm is een Ezel en valt in de schand.

Een kind in de boosheid, een man in 't verstand — Dien setten al de andren hier liefst aan een kant.

OP DE BERGEN.

I.

Hoog van de Alpen, bij de stralen Van den morgen, zag ik neer

Op het lustoord in de dalen,

Tnsschen Thuns en Brionz'meor;

't Lustoord met zijn rij paleizen, Waar der bergen hoogen gast,

Moe van 't onvermoeide reizen, Pracht en weelde zoet verrast;

Waar het goud van 't rijke Noorden, Dat een armen Zwitser boeit,

Meer dan Lémans heiige boorden, Als een snelle bergstroom vloeit;

Waar ge in schaüw der geurgo blaêren Van het noteboomenwoud,

Britsche schoonen na kunt staren, Als de Jungfrau, blank en — koud.

Ook baronnen en vorstinnen,

Als de Grimsel, bar en hoog;

Ook zeer gnadige gravinnen, (oog.... Met een Sehnsucht s-meer in 't

Doch, hoe lag 'tnu daar beneden Kleen en nietig aan mijn voot,

't Nest vol schittrende ijdelhedenl In den morgenzonnegloed.

Nietig — of ze louter dwergen, Lilliputters hield bevat;

Ja, het scheen wel van de bergen Zóó als waar die kleene stad,

Die de grootheid aller landen

Zich ten zomerlustoord koos — Opgezet door kinderhanden Dit een Neurenburger doos.

n.

Op de bergen van het Lijden,

— Steile weg naar 't heilig Land — Op de bergen van het Lijdon Voerde mij der Liefde hand.

Van hun toppen — 't scheen wel nadei

Bij der starren heiige sfeer En de woning van den Vader — Op de wereld zag ik neer;

Op al de eerzucht, op de dingen,

Op de menschen van den dag — Grootheên, die elkaêr verdringen — Wie er wat beduiden mag I

Ruiterij van filozofen

Met een theologenheir Streden samen: van daarboven Scheen 't een stofwolk en niets meer.

Al hun glorie, al hun weelde

Werd zoo nietig en zoo kleen, Wat mij griefde, wat mij streelde IJdelheid der ijdolheen!

En ik dacht weer aan dien morgen,

Aan dien morgen van weleer, Toen ik lachend, zonder zorgen, Blikte hoog van de Alpen neer.

Sluiten