Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te Delft.. Gij kent toch Delft? Dit stadje is schoon gelegen,

Vlak aan den spoorweg, tot mijn groote vreugde en zogen. Een stadjen oud van Faam! en thans beroemd nog door Haar Akademie en haar Boter. Naar ik I100-,

Is de eerste nog maar lang zoo goed niet als de tweede,

Maar die is ook volmaakt! 'kLaat de andre liefst met vrede.

vu.

Gelijk als Pisa heeft ook Dalft ha&r soheeven toren,

Die, al voor eeuwen her, de ruste placht te storen In 't klooster aan lijn voefi, te sombren winternacht,

Maar sinds door geon orkaan nog werd ten val gebracht En pal staat, soheef maar pel, en, naar wij vast vertrouwen In Delft hot langer dan wjj allen uit *al houën.

vm.

O grijze steenen R^sa! wat zafcgt ge al. dat ik garen Gezien had, met n mee, in langvervlogen jaren,

Toen, rijk en maohtig nog, uw oude prinsenstam Den kleenen hofstoet van dioia Willem hield bevat,

Die pal stond óók els gij te midden van de orkanen,

En Neerlands schittrende Eeuw Iswt purpren spoor moest banen I

IS-

Delft Draalt thans met zija graf... en booze tongen fluisteren :

Heel Delft is zelf een graf. Gij moét er niet naar luisteren, 't Is laster, 'k Weet veeleer in 'i lieve vaderland Geen stedeken alzoo aandoenlijk-totressant.

Zoo gij maar 't oogpunt we#t, waaruit gij 't moet bekijken En dat ik waarheid spreek, moog uit mjjn dicht u blijken!

x.

Ge ontmoet te Delft alom een heil' vftiii donkro tronies,

Die u herinren steeds aan Nederlands kolonies, ...... ,

Zijn sohatkist.... ook zijn kroon ? — Gij vindt or t licht en bruin

Zoo rijk genuanceerd als in den sch^onsten tuin,

En — doet gij de oogen toe — dan kant ge u haast verbeelden Dat de oostersche natuur u toelacht moj haar weelden i

XI.

Ja, 't beeld is niet te stout, onB Delfia-Batava Is in den grond beschouwd een voorstad slechts van — Java. 'Men leeft te Delft in do' Oost en, bijna voor de helft,

Leeft Indien ook weer in 't zoet en achtbaar Delft.

Ik-zelf ben naar den geest vast daaglijks nu te Padang En dan in de Kadoé en dan weor te Samarang.

XII.

Ook wijd ik dit mijn lied u, vrienden in de verte!

Nab|j steeds voor mijn oog, niet verre voor mjjn kerte,

Sluiten