Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die eens mijn yroolijk huis zag komen en zag gaan —

Maar komen met oen lauh en scheiden met een traan.

Zóó is het leven: in de vreugd ligt reeds de rouwe —

Doch gij vergeet hem niet, don handdruk onzer trouwe I

XIII.

Wat spreekt men van den Dood, den dood die teedre banden Verscheurt, de trouwe hand onti-ukt aan trouwe handen?

Aeh, 't Leven snijdt veel meer de levensdraden af Der vriendschap, daar ons hart zich bigde aan overgaf!

Hebt lief, o rijke jeugd! Hot leven zal u scheiden,

Straks ligt de Zee, of ook de Wereld, tusschen beiden.

xiv.

Doch wat vervolgen mij gedachten die mij kwellen!

Wou ik niet vroolijk zijn en u van Delft vertellen,

't Pikante stadje daar 'kmijn vijfde lustrum sleet,

En véél gezien heb, veel van 's levens lief en leed,

Genoeg om meer dan één komedie te brodeeren,

Of — als ik doe — een lang gedicht te improvizeeren 1

xv.

Ik zei, Delft is geen graf. 'k Zeg nu, voor kenners oogen Is daar geen oord veeleer zóó woelig en bewogen !

Toch zoek geen loven langs de grachten onzer stad,

Want ja, die zijn meestal zoo kaal en eenzaam, dat Onlangs, naar men vertelt — de jacht was juist pas open — Een haas, zijn drukten moe, kwam door ons Delft geloopen.

XVI.

Hij is er mooglijk nog. Maar dit nu daargelaten,

Het Delftsche leven bruist niet op de Del'tsche straten,

Des winters is 't er stil, des zomers is 't er stom;

Doch daar gaat des te meer in Delftsche zielen om.

Hoe kalm daar buiten — 't is onrustig steeds daar binnen,

In onze hoofden, onze huizen en gezinnen.

XVII.

Spot niet, o vreemdeling! er is volstrekt geen reden Tot lachen; nergens wordt gestreden en geleden.

Als in die kleine stad. Of— lach maar, hoorderes!

't Kan wezen dat gij straks een schoono liefdeles Put uit mijn Delftsch verhaal en dat mijn losse zangen Een traan van sympathie doen glijden langs uw wangen.

XVIII.

Gij vat, het middelpunt van al die teedre zorgen,

Hier — achter horretjes — in huis aan huis verborgen,

Is steeds — het verre land aan de overzij' der zee.

Ach 't brengt u goud misschien, maar 't rooft ons vreugd ea vree!

Sluiten