Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar de kunst genezing spelt, Doch alleen de scl.oot der aarde, Der cypressen stille gaarde Van «genezen kranken" meldt!

Ver Tan huis, o jonge strijder, Die bemind hebt en geloofd, Legde ook gij nu 't moede hoofd Neder — een genezen lijder!

Neder — op uws lleeren woord, Zijn genade en heil verwachtend, Kaar een sohooner Land veramachDan der wereld lieflijkst oord! (tend,

Ver Tan huis Toch in die Terte

Zijn uw Trienden in den geest U wel Taak nabij geweest,

Met de liefde Tan hun harte,

Met den troost Tan hunne trouw, Met de erinring Tan 't Terleden, Met hun Turigste gebeden,

Met hun hoop, hun Trees, hun rouw!

Thans ook aan uw stervenssponde Drukken we U nog eens de hand;

Bij uw graf in 't Terre land Scharen wjj ons mede in t ronde:

En weemoedig, hij de baar,

Trilt de luit, die eens u boeide, Toen ons beider jeugd nog bloeide, Trilt der liefde teedre snaar.

Want slechts liefde was uw leTen En beminlijk waart ge en goed, Dwepend hoofd en Troom gemoed, Van de wereld rein gebleven; Trouwe broeder, hartlük Trind,

i Eedle ziel toI idealen,

Bloemen, zangen, tonen, stralen, In de boosheid steeds een kind!

Dies «bedroefd, maar nogtans bigde , Heffen we ook het weenend oog Van uw groeTe naar omhoog, Gij, wiens hart zich 't Hoogste wijddel

ü, mijn dierbre, rijze Trij, Ver van huis, in Treemde streken, Van uw graf het needrig teeken — Gij zijt thuis! — dit weten wij.

1859.

UIT DE KINDSHEID.

»Ik ben een kind Van God bemind!"

Was 't eerste lied dat mij miin moeder leerde,

Die ik op aard maar kort neb liefgehad :

God nam mij rroeg des leTens grootsten schat.

Tt Vond sinds een deel Tan 't geen mijn hart begeerde,

Doch ook mijn deel Tan 's leTens diepste smart.

Ik leed en Btreed en struikelde en ontbeerde,

In raadslen werd mijn ziel Terward;

'k Vroeg of een God Tan liefde t Lot regeerde .

't Geloof bezweek, de Twijfel triumfeerde

Mijns ondankB Taak in t vruchtloos smachtend nartl Toch, wat daar in of om mij ook verkeerde, Nog menigmaal te stillen middernacht,

Ruischt op mijn spond, vertroostend, lieflijk, zacüt, Dat eerste lied, dat mij mijn moeder leerde,

En bij dien toon — eens Engels Tredegroet —

Daalt Vrede soms m 't rusteloos gemoea.

Sluiten