Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARME VISSCHERS.

L

'tls nacht. De hut is klein, niet rijk, maar warm en dicht, 't Vertrek vol schaduwen; — toch yoelfc gij 't, als een licht Der liefde speelt er door met koesterende stralen; De schoorsteen draagt de schat van bontgekleurde schalen, En 't vischnet — 't wapen der familie — tooit den wand. Ginds in de verte rijst het oude ledikant,

Een erfstuk vast; en op de stroomatras daarneven,

Op banken uitgespreid, rust zacht het jonge leven,

Vijf kleine kindren. Spijt het ver verloopen uur,

AA aakt in den haard nog steeds de rosse vlam van 't vuur. Nog ééne waakt! een vrouw alleen — met duizend zorgen, De moeder van die vijf! Ook waakt ze als een die morgen Een weduw wezen kan, en bij de legersteê Der kindren knielt ze en bidt. <

Daar buiten huilt de zee.

U.

En daar zwalkt hij, haar schat! Sinds de eerste jongensjaren Bekampt hij, 't visscherskind, het noodlot op de baren.

Hij, weer of geen weer, steekt in zee, in d'avondstond, Wanneer op t zwarte hoofd de vloed stijgt; mond bij mond Wacht immers brood van hem! Hij, 'truw bedrijf gewassen, Bestuurt zijn bark alleen op de ongemeten ptassen. De visschersvrouw is thuis, waar zij het aas bereidt, 't Gescheurde zeilwerk lapt, de netten maast en breidt.

Doch als de vijf straks in de rust zijn, zoekt zij vrede In 't Bijbelboek en bidt en volgt hem, in gebede,

Die daar op de' afgrond drijft, in hollen winternacht. — Ja, ruw bedrijf! de lucht is zwart, geen starre lacht: Het wisslend plekjen, als in duisternis bedolven,

Waar, onder t barnend sohuim der opgeruide golven,

De visch te samenschoolt, bjj rots en blinde klip,

Is, op den Oceaan, vast niet meer dan een stip,

Groot, als de kamer! En om nu die stip van zegen Juist uit te vinden, in den mist, den killen regen,

Te winternacht en op die bolle woestenij —

Dat is geen kinderwerk! Hoe naarstig moet getij En wind berekend! Luk en zeemanskunst zich paren I — Als slangen schuiflen, langs het boord de groene baren,

De kolk bruist op, 't getouw slaakt als een kreet van wee.., Hij denkt aan vrouw en krooBt bij 't woeden van de zee,

Sluiten