Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En daar Tc zijn waren naam u liever wil verbloemen,

Zoo lust het mij den knaap Fantasio te noemen.

XXIV.

Hij had de wereld vroeg gekend, haar weelde en zorgen;

Veel ernst en diepte en smart lag in zijn ziel verborgen ;

Hij was ontwikkeld en bedorven door lektuur,

^ Een Ridder in zijn vorm, een Dichter van natuur,

Kortom een intressant, eon schoon en schittrend wezen, Die roeds op moeders knie Lord Byron had gelezen!

xxv.

Lord Byron I... o wat knaap die zijn gekrulde haren,

Wild als de wildheid van zijn zestien, achttien jaren,

Ooit sierlijk golven liet op d' avondwind in 't woud,

Wiens oogblik heerschen kon, wiens harte, vrij en stout, Zich blindlings overgaf aan de Eerzucht, kind der Weelde, Wien ooit het algemeene en 't Daaglijksch Brood verveelde;

xxvr.

Wie, dien uw starre blik niet diep in 't harte schokte, Uw jonge wanhoop niet verteederde en verlokte. Uw Grieksche lauwer niet misleid heeft en verrukt,

Schoon met den doorn der Pijn, in 't bleek gelaat gedrukt 1 Wie had de Tering niet, die u de ziel doorgriefde?

Wie had de Mary niet, op wie zijn jeugd verliefde 1

XXVII.

Maar Childe Harold, zoo ik eens in u geloofde,

Als Eva in de Blang, die 't Eden haar ontroofde;

Zoo 'k eens op uw gezag, het leven heb geteld Geringer dan het stof, mijn verzen of mijn geld;

Zoo 'k immer dweepte, met een ingebeelde smarte, De menschen haten dorst, de halve wereld tartte.. .

XXVIII.

O sinds ik eenmaal, toen 'k van kiosptjn half creveerde,

Mijn eigen ideaal, uit wrevel, dissekeerde,

Held van mijn zwarten Tijd! wat bleef, wat werd er van ? Hoe leek mijn Lucifer een spleenzieke Engelschman !.,„ Het martlaarskroontje glee geleidlijk ran mijn lokken, En 'k was aan de' invloed van mijn boozon geest onttrokken.

XXIX.

Uw trotschen Meestertoon verbaasd gelijk te geven,

U half te aanbidden, 't is een faze in 't jonglingsleven ; P° knaap, hij buigt niet graag voor 't koel gezond verstand, 't Zijn maar drie woorden, om te zeggen: 'k Heb het Land I Goed staat het, als een snor, op 't Leven wat te vloeken, In alles Bitterheid en Ridikuul te zoeken....

Sluiten