Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Ja zelfs met dio het meest, vooral op theevisiten,

Als 'k een geheimen traan in 't lauwe vocht zie vlieten, In 't hoekjo van do zaal. De poes alleen maar kijkt De juffer smachtend aan — om melk. Geen jonker wijkt Een handbreed van zijn plaats, om haar een stoel te geven. Geen vlinder, die rondom de dorre rank wil zweven.

Hl.

Een hekel heb 'k alleen aan die vergifte spinnen,

Indringsters in de rust der teedersto gezinnen,

Wier hand, als uit instinkt, verdeeldheid, tweedracht zaait, Wie alles wel is, mits haar haantje koning kraait,

Die van haar noodlot zich op kleine kindren wreken, En — druk studeeren in traktaatjes en in preeken

iy.

Maar ik heb eerbied voor die arme vreemdelingen,

Die eenmaal zusterliefde en weelde placht te omringen •

Nu met een martlaarspalm, dor als oen bedelstaf, God smeekende iedron nacht om een vroegtijdig graf, Die vreemde luchten en bedorven freules tergen,

Van heimwee smachtend om haar vrinden en haar bergen 1

v.

Het nieuw persoontje, dat ik nu op touw ga zetten,

Lijkt niet 't allerminst op een van dees portretten:

Zij is geen spin, geen feeks, geen jonge martlares,

Noch mooi, noch leelijk, ook geen afgetrokken bes,

Zij is haast veertig, doch kan nog voor dertig doorgaan Zij laat zich nog al iets op haar figuurtje voorstaan.

VI.

Ze is over 't algemeen zoo taamlijk onbeduidend;

Haar neusje is fijn, haar stem is grof en onwelluidend;

Haar blik is smachtend, en aandoenlijk haar gemoed ;

Ze is heel gevoelig voor een blik, een lach, een groet; Zij droomt een heelen nacht van een galanterietje,

En in de loterij des huwlijks trok ze — een Nietje.

vu.

Haar gouden eeuw vlood heen, sinds Mary niet meer kind was, Schoon ze om haar goede ziel in huis nog al bemind was; Zij had een tikje weg van stille jaloezij,

Ook hield zo nog al van een lieve plagerij,

En als het mijn verhaal niet al te zeer deed zwellen, Dan waagde ik 'twel van haar een grapje te vertellen.

VIII.

Maar nooit, schoon 'k anders wel eens met de lui mag gekken, Nooit zou ik 't wagen dat gezicht haar na te trekken,

Sluiten