Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVII.

Kent gij die pijn? 'k hoop ja voor u en mij, Monoeren,

Want 'k hel) geen lust om haar thans meer te dctailleoren. Ik wou mijn veder liefst niet doopen in het bloed Van 't ongeduldig hart en teerverliefd gemoed,

En zou mij-zelven niet aan dio descriptie wagen,

AI kwam mij 't liefate kind hot op haar knietjes vragen.

XXVIII.

Veel liever geef ik een medaille, in goud gesneden,

Hem, die mij zeggen zal, wie 't meeste heeft geledon; De jonker, die daar vloekt van passie, op zijn paard,

Of zij, die telkens uit liet open venster staart,

En dan weer neerzijgt en uit wanhoop en misère Verscheiden pluisjes plukt uit 't dons van haar voltaireï

XXIX.

Maar 't uur der liefde naakt en 't eind der liefdeweeën! De toren zingt het lied der minne: kwart voor tweeën! Hij spoort zijn ros, hij vliegt: o toef mij, zoete Bruid 1 Mee galoppeert zijn hart en bonst en jaagt zoo luid, Als — t hart der jongelui, die na hun staatsexamen, Den uitslag wachten van dat kanibaalsoh tentamen 1

XXX.

O, zeg toch nooit, dat wij zoo schriklijk flegmatiek zijn,

Als of we altoos verstopt, verkouen, suf en ziek zijn! Dat nooit oen Hollandsch hart in brand kan vliegen, maar Steeds als 'slands turven smeult, vervelend, langzaam, naar: Ik ken er nog wel meer, met vuur en kwik in de adsren, Geheel verbasterd van de stemmigheid der vaderen 1

XXXI.

't Is waar, de landaard is hier ver van aardig, vroolijk, Enthousiast, vol vuur of amusant en oolijk;

Maar, lieve Hoorders, 't is de schuld van ons klimaat En van ons weerglas, dat altijd op najaar utaat ;

Wij gaan met parapluios steeds langs beslijkte wegen, En worden taai als leer, doorzieperd van den regen I

XXXII.

Maar dueht ik voor mijzelf dat natste dor klimaten,

'k Heb toch mijn Holland lief, gelijk een visch zijn graten. Ik ben er om-, er aan-, er in- en doorgegroeid,

Ik zwem al door het nat, daar 't land van overvloeit, En schoon heel koulijk. 'k heb nog altijd stof tot danken Dat 'k niet bij d' ijsbeer aan de Noordpool zit to janken 1

xxxm.

Ook is 't me een wellust mij nog somtijds op te winden, Te dwepen bij het stof der lang ontslapen vrinden,

Sluiten