Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xxrr.

O, mocht ik in den geest des lieven grijsaards spreken,

Tot u, o lioTe jeugd, en vnn uw domme streken,

Op mijn besneeuwde kruin 't kalotje ran fluweel,

'k Gaf elk van ernst en boert een evenmatig deel — rk Bon ondertusschen blij, dat 'k voege bij de jongen,

En haii u anders rast dit lied niet voorgezongen).

XXV.

'k Trok tegen u te velde, o rare muizennesten En grillen, die het brein verwarren en verpesten 1 'k Trok tegen u te velde, o dwaze, droeve zucht Van knaap en maagd voor al wat vreemd is in de lucht 'k Gaf iedereen een neus en lessen in vrijage,

Ik rijmde dier op zwier on page op bosschagol

XXVI.

Ik sprak tot iedre maagd van om de veertig jaren:

Laat, zoo ge wijs wilt zijn, de jonge minne varen i Verbeeld u niet dat ge een magneet zijt, en pas op Dat gij u-zelven kent, dat u geen toeval fop' 1 En kijkt een heer u aan, kijk gij dan naar 't gczichtja Van uw logeetjon, of uw dienstmaagd, of uw nichtje.

XXVII.

Ik sprak tot iedre maagd, die 't hoofd vult met romannetje# En verzen : schaapjelief, pas op de Don Juannetjes I Houd oog en oor en hart en mond en venster toe! Doe nooit met schaken mee of kwalijk rendez-vous,

En stel die heeren, die zich onweerstaanbaar droomen,

Eerst maanden op de proef: 't kon je anders slecht bekomen.

XXVIII.

Gij, jonker, schud vooral de krullen uit uw zinnen, _

Wees naarstig zoo ge wilt. maar deeglijk in 't beminnen, En wordt gij ooit verliefd, maak een huishoudlijk plan,

Blijf ernstig en bedaard, gedraag u als een man:

Ik raad u eerst alleen een singeltje om te wandelen, En nimmer en volant die dingen te behandelen.

1847 —48.

AAN iDDA.

Eéne is er, die mij nooit verveelt. Wier blikken al raifn aorg verdrijven,

Wier scherts mij immer kan behagen, En die, te lief, te «acht voor de

Die mij mag vleien en mag plagen, (aard,

Die met mij dweept en stoeit en Mij, wien zij 't Hegtels^he verklaart,

(speelt; Dcet met deze aard' tevrsdoa blijven.

Sluiten