Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eéne is er, die ik liefkreeg, één, En sinds dien tijd hob ik geen oogen Voor blank gelaat of zoet vermogen Van andren, maar voor haar alleen. En heb ik vreemden al geprezen, En speelde ik soms gedachteloos Met korter vlecht, of doffer roos, Dan 'k voor haar lok had uitgelezen, 'k Wist, dat zij niet jaloersch kon we-

(zen.

Eéne is er, die ik nimmer hard Of onverschillig toe durf spreken, Want dan zou't zacht gemoedje bre0 Liefdel van uw felste smart (ken, Dan zou haar oog zoo bitter krijten, Dat ik, nog in mijn jongsten snik, Mij dat lichtvaardig oogenblik Van' woeste wreedheid zou verwijten. 1847.

Eéne is er, die ik nooit vergeet, Ofschoon ons zee of land, óf beiden, En weken, maanden, jaren scheidden.

Ik deel met haar mijn lief, mijn leed. Zeg, wilt ook gij mij dat herhalen ? Maar doet mjjn vragen u verdriet. Och dan, melicve! zeg het niet. Want 'k zie het uit uwe oogen stralen En hoor het zoo wel dtiizendmalen

Daar zjjn meer verzen, lieve! als dit, Maar één slechts die zoo vriendljjke (oogen

Houdt naar dit blaadje toegebogen;

Die nimmer op mijn verzen vit. Maar niemand, die in later dagen Nog om dit liedje denken zal Dan zij, die niet voor niemendal Ilaar Dichter om een vers mocht pla-

(gen.

BIDDEN.

* * * TOEGEZONDEN.

Kent ge een taal die zoeter ruischt Dan het lied der avondwinden, Dat door de ouderlijke lindon

Langs uw liefste paden suist ? Kent ge een taal, die, vol vortrouwen, Uit het stof ten Hemel dringt; Hooger dan de leouwrik zingt, Waar da zaalge kusten blauwen?

Kent ge een liefelijker geur Dan die uitgaat van de bloemen, Die uw bruigom j)leegt te roemen, Als uw wang gloeit van haar kleur ? Bloemen die om 't, luidste vragen, Wie go de eer hebt weggelegd, Om to prijkon in uw vlecht Op do schoonste aller dagen?

Gij armoedigon van g«ost, Gij een90udigen van harte!

Spreekt die taal tot iedre smarte,

Op uw lippen past zij 't meest, 't Menschljjk oor verstaat uw fluistren En het hoort uw zuchten niet; Maar God-zelf verhoort uw lied En de Hoogste Heemion luistren I

Als 't welriokendst offer rijst Iedre klacht der droeve zielen (len, Naar dat oord, waar de 1'jnglen kniePsalmgeruisch den Schepper prijst; En de zoetste geur van Éden, Dio door Edens palmen waart, 't Is de zucht die stijgt van de aard, Op den adem dor gebodon I

Of dio geur haar oorsprong nam Uit de laag gelegen dalen,

Waar do jonge lelies pralen,

Alpen-roos of grijze stam, Welkom is zij God don Heere, Hem die stam nooh jonge loot,

Sluiten