Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

YllEEMDELINGEK,

ï.

DE PROTÉGÉ.

Men heeft met eer en gunst mij ovorladen, Beloofde hulp cn yoorBpraak, gaf mij radcii, En riep: «geduld, geduld maar, -wees tevrec, Want gij zijt onze protégé 1"

Intusschen, ik mocht goed geprotégeerd zijn,

Toch zou ik haast van honger gekrepeerd ziin, Zoo niet een brave, brave man in 't end Mij had verlost uit mijne ellend.

Een brave, ja! want hij, hij gaf mij — te eten I Daar zal mijn hart hem eeuwig dank voor weten; Hoe jammer dat 'k hem niet eens kussen kan — Want ik bon zelf die brave man.

tl.

AAN ZEE.

Mooi visschersmeisje, rooi Uw bootje naar het land, En zet u naast mjj neer, Uw handjen in mijn hand.

Vlij, 11011 mÜn boezem, vlij Uw kopje, rust in vreê,

Wees toch niet bang voor mij, Gij zorgeloos kind der zeel

Mijn hart is als uw zee I 't Heeft storm en ebbe en vloed; Ook paarlen vindt gij, diep,

Maar diep in mijn gemoed.

m.

IN 'T BOSCH.

De Herfstwind huilt door 't eikonDe nacht is vochtig koud;(bosch, Nat, bibbrend, schuilende in mijn (kraag,

Draaf ik alleen door 't woud.

Mijn spokende gedaohten, ziel

Ze draven voor mij uit; En dragen me — als een veer (zoo licht — Naar 't huis der verre Bruid.

De wachthond blaft! een half dozjjn

Lakeien licht mij voor,

lk storm do wenteltrappen op Mot kletterende spoor.

't Is in de comfortable zaal Zoo geurig, lekker warm ;

Daar wacht mii de allerliefsto maagd, Daar vlieg ik in haar arm.

En door 't gebladert fluit do wind,

Ha! hal zegt de oikeboom: Wat deert u, dolle ruitorl en Vanwaar dio dolle droom 1

Sluiten