Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sneeuwklokjes, lingtl Zingt, op der harten nog sluimrenden akker, Bozen der liefde in de lentezon wakker!

De Lente komt, de Liefde volgt,

Gij lieven en gij blijden!

Ziet daar de profetie van 't lied,

Dat wij u hartlijk wijden.

De Lente koomt.

Het meisje droomt ....

O spel toch iets zoets aan haar blozende wangen, Gij bloesems der liefde, gij dichtergezangen.

185S.

liefdeklacht.

Als vogeltjes zich paren,

Aanstonds deelen zij hun nest, Zonder zorgen of bezwaren, Zonder kommer voor de rest.

(eückeet.) _

Ach, of in der linden kronen,

Als de vogeltjes zoo vrij, Ook twee menschjos mochten wonen. Arme menschjes, lieve, als wij!

de heer is haar redder.

Der vrome Herder was de Heer!

Hij liet haar niets ontbreken, Hij had haar tachtig jaar geleid In 't spoor van zijn gerechtigheid, Aan stille beken.

Hij had haar ziele staag verkwikt

In klaverrijke weiden:

Maar of Hij gaf dan of Hij nam, Zij bleef haars goeden Herders lam En — liet zich leiden!

Als wednw was ze niet alleen,

In nooddruft niet verlegen; En ging haar pad langs menig graf,

De Hoer is myn Herder! my tal niets ontbreken. Hj| doet my nederliggen in gratige weiden. Hy roert mij ïachtkens aan teer stille wateren. Hij rerkwikt myne nel; Hy leidt my in bet

spoor der gerechtigheid.

Al ging ik ook in een dal der scbaduwe des doods, ik iou geen kvraad r ree zen.

Haar troostte 's Ileercn stok en staf Op deze wegen.

Haar leven was een lang akkoord

Van stil geloofsvertrouwen; Een liefelijke wedergalm Van 's Herders zachtcn vredepsalm, In vreugde en rouwe.

Die psalm — het was haar pelgrimsv (lied

Op 's levens lange reize; Ook nn, ten dierbren tempelgang Misschien — haar stille zwanenzang, Haar zielsgepeize.

Sluiten