Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mocht ook mijn lied het klokje zijn, [ O vriend, u boeide aan 't klein festijn Dat wonderlijk genoeg, [ Als waar t nog bijster vroeg.

1858.

KOOSJE.

Op 't kleine dorp en ver in 't rond

Kent ieder Juffrouw Koosje, (

En jong en oud om t liefst verkondt Den lof van 't Geldersch roosje.

De mooie Juffer is zoo goed;

Een ieder ziet haar geerne,

Haar doopnaam klinkt den grijsaard En zoet der kleinste deerne, (zoet,

De vriendlijkhcid lacht uit haar oog I

Schoon rijk en hooggeboren, Zij draagt het lieve hart niet hoog, De eenvoudige uitverkoren.

Haar milde hand, uit de' overvloed,

Weet wèl en wijs te geven ;

Maar rijker is haar frisch gemoed, Vol liefde, geest en leven.

Zij heeft voor elk een woord, een blik;

Haar lacht het schuchtre koontje; De stumper, bij haar gullen knik, Denkt in zijn hart: Godloon't jet

't Boerinnetje blikt gansch bekoord Haar dikwerf na, een poosje; ? Als Brecht van englen leest in t (Woord,

Dan denkt ze aan Juffrouw Koosje.

't ls vreemd, daar kan geen ruwe (knaap

Haar zachtblauw oog verdragen; Maar Trientje toch, dat schichtig (schaap!

Geeft antwoord op haar vragen.

Ook heeft ze een toon, ook heeft ze Om ieder toe te spreken, (een slag Dat vaak haar woord iets meer ver-

(mag,

Dan Hellenbroek zijn preeken!

Haar stemme vindt een open oor,

Zelfs bij verharde zinnen —

Waar Dominé zijn tijd verloor Mocht Koosje nog verwinnen 1

Want niemand is zoo lief als zij,

Zoo needrig en welmeenend^

Rijk hartje, met de blijden blij, Met al die weenen, weenendl

Waar zorge drukt, waar armoe (schreit, Daar komt zij aangevlogen. Een zuster van Barmhartigheid, Met vrome, vriendhjke oogen!

Een Heer-oom wist niet hoe hij 't

(had,

Toen Koosje in 't arme huisje Laatst knielend met hem medebad, -

Al maakte ze ook geen kruisje! * # * ♦

Maar wie is 't Koosjen, in dit lied

Zoo teederlijk geprezen?

Zii moog voor u ('k verklap haar 1 J 8 (niet)

Een beeld der liefde wezen 1

1858.

Sluiten