Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar le nemen. Deze is niet altijd sterk doch bij eenige oefening gemakkelijk te herkennen en komt voor o. a. bij pyriet, mispickel, koperglaus, zilverglans, loodglans, bontkopererts, cinnaber, antimoonglans, roodgultigerts en vaalerts.

Indien de temperatuur der vlam niet te laag is, b. v. in een goede spiritusvlam, ziet men soms het mineraal uiteenspringen (verknetteren) zoo b. v. zeer sterk bij zinkblende en koperkies, ook bij pyriet, loodglans en koperglans. Dit kan zoo plotseling en hevig zijn dat men geen tijd heeft den reuk waar te nemen; men legt het mineraal in dit geval in een naauw glazen buisje dat aan één zijde dicht is, waardoor de stukjes niet kunnen wegspringen. Dit verknetteren heeft ook dikwijls plaats bij de meeste zoogenaamde spaten b. v. kalkspaat, zinkspaat, enz.

Verwarmt men in een glazen buisje als het evengenoemde dan neemt men soms dicht boven het mineraal een rooden of geelrooden ook wel lichtgelen aanslag op het glas waar. Men kan dan zeker zijn met een erts te doen te hebben.

OPLOSSING. Een aantal mineralen lost indien zij in fijngepoederden toestand met een of ander zuur verwarmd worden daarin op. Voor ons is dit verschijnsel alleen van belang voor zoover daarbij een eigenaardige kleur ontstaat (molybdeenglans, litaanijzer, wolframiet) of een opbruising plaats heeft (kalkspaat, zinkspaat, enz.). Bij de mineraalbeschrijving zal hierover het noodige

worden medegedeeld.

Ten slotte nog de opmerking dat het in de eerste plaals zaak is zich vertrouwd te maken met den kristalvorm, de wijze van voorkomen en de natuurkundige eigenschappen der mineralen en zich alleen van de scheikundige te bedienen indien het niet gelukt zich door de eerstgenoemde zekerheid te verschaffen, of ook om zich nader le overtuigen van de gegrondheid van een reeds opgevat vermoeden.

Sluiten