Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SG. 8 (zwaar) (31).

KI. cochenillerood.

St. scharlakenrood (31).

§ SS. 15. Koperertsen.

8. GEDEGEN KOPER.

V. kristalgroepen die hoornachtige figuren vormen (fig. 36), ook mosachtig. Verder als zand en in plaatjes.

Snijdbaar.

H. 21/,—3.

SG. 8'/i—9-

KJ. koperrood, het best te zien op breuk of snijvlak.

Ch. lost in verdund salpeterzuur op en geeft een blauwe vloeistof die met zoutzuur helder blijft.

O. KOPERKIES.

Een der belangrijkste koperertsen, waaruit naar verhouding het meeste koper wordt gemaakt. Is gewoonlijk vergezeld door loodglans, zinkblende, pyriet, vaalerts en andere koperertsen.

K. tetragonaal.

C. dikwijls de combinatie der beide tetragonale tetraeders (sfenoïden) ongeveer

als fig. 57 en ook doorkruisingstweelingen als fig. 6.

V. kristallijn, doch gewoonlijk dicht.

B. schelpachtig.

Niet zeer bros.

H. 37,-4 (36).

KI. geel, meest wat roodachtig.

St. zwart (36).

ÏO. KOPERGLANS.

K. rhombisch, de kristallen meest tafelachtig of kortzuilvormig.

V. meest dicht.

II. 27,-3.

Zeer week.

KI. | ,

bijna zwart.

St. I J

G. vrij dof, doch op de streek glanzend (11).

Sluiten