Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE GROEP.

Mineralen, welke te samen met die der eerste groep voorkomen, doch in den regel zelf niet tot mijnbouw aanleiding geven.

§ $9. 3tt. PYRIET.

(Zwavelijzer).

Ook wel ijzerkies en zwavelkies genoemd. Is een der meest verspreide mineralen; in kleine hoeveelheden vindt men het in vele gesteenten; tevens vergezelt het bijna alle ertsen en vormt ook wel zelfstandig gangen en snoertjes. Hier en daar wordt het ontgonnen ten behoeve der zwavelzuurfabrikatie en indien het in voldoende mate goudhoudend is, wordt dit metaal er uit afgescheiden. K, regulair.

C. kubus en pentagoondodecaeder welke beide niet zelden als tweelingen optreden (tig. 31 en 26 § 11).

dikwijls kristallijn, doch ook dicht en dan in verschillende gedaanten: kogels, takjes, enz. Veelal is aan de oppervlakte een laagje bruinijzererts aanwezig dat uit den pyriet ontstaan is.

B. schelpachtig.

Bros.

H. 6—61/, (O).

Rl. qeel, aan de oppervlakte dikwijls bruinachtig (3©a).

St. bruinzwart {9) (3fta).

3«K MARKASIET.

Ook wel speerkies, kamkies, straalkies genoemd. Dikwijls met of in plaats van pyriet en daarmede in samenstelling overeenkomende.

K. rhombisch (3tt); dikwijls in aggregaten (groepen) van verschillenden

vorm; knollig, druifvormig, draderig.

B. oneffen.

Bros.

H. 6—6'/5.

KI. grauwachtig geel of groenachliggrauw (36).

St. donkerqroenachtiggrauw (3tt).

Ch. In een glazen buisje verhit komt een aanslag van (bij bekoeling) gele zwavel (30).

Sluiten