Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeen hebben zich gemakkelijk in uiterst dunne blaadjes te laten splijten die zeer elastisch en buigzaam zijn (55 en 56).

Nu en dan ziet men in de gesteenten lichte of donkere korte zeshoekige prisma's van dit mineraal, waarvan de prismavlakken sterk horizontaal gestreept en gekerfd zijn. De meest voorkomende soorten en voor ons alleen van belang, zijn de katiglimmer of muscoviet en de magnesiaglimmer of biotiet. De eerste is kleurloos of geelachtig, de laatste donkerbruin tot zwart, bij verweering roestbruin of bronskleurig.

H. 2—3 (55), laat zich niet met den nagel krassen (43).

G. sterke metaalachtige paarlemoer glans.

De muscoviet is niet zelden doorzichtig, de biotiet alleen doorschijnend, tenzij in dunne blaadjes.

Deze mineralen spelen een hoofdrol in de oudere massiefgesteenten (§ 85 e. v.) en in de schiefers, gneiss, granuliet, euz. (§ 97 e. v.). Ook zeer veelvuldig in trachiet (§ 88) en soms in andesiet (§ 92).

55. CHLORIET.

Het hoofdbestanddeel van chlorietschiefer (§ 101), komt echter ook in

andere schiefers en in graniet en gneiss voor (§ 84 en 97). Komt in vele

opzichten met glimmer overeen, doch de blaadjes zijn wel buigzaam, doch niet elastisch.

H. 1-1V, (54).

KI. meest vuilgroen (54).

St. lichtgroen.

Verschillende mineralen: hoornblende, augiet, glimmer, enz. worden bij verweering niet zelden in chloriet veranderd.

56. TALK.

Hoofdbestanddeel van talkschiefer (§131). Gewoonlijk in schubbige of krombladerige aggregaten (talk) of dicht, in knollen enz. (speksteen).

H. 1.

Voelt zeer vettig aan (55 en 63).

KI. geel en groen, bij speksteen roodachtig wit.

St. glanzend.

De dunne blaadjes zijn buigzaam, doch niet elastisch.

§ 5S. SERPENTIJN.

V. steeds amorf en dicht, zoowel zelfstandig als gesteente geheele bergen

Sluiten