Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blauw of Violet.

Is er tegelijk een groen mineraal (malachiet) aanwezig dan is het waarschijnlijk:

Koperlazuur (13) men overtuigt zich met een druppel zoutzuur. Bijna altijd is dan ook bruinijzersteen en misschien nog een ander kopererts voorhanden.

Een zuiver blauwe kleur bezitten verder nog alleen:

Cyaniet (64) meest blauw en wit gestreept.

Saffier (45) hardheid = 9.

Noseaan en Hauyn (61) meest in korrels in fonoliet, zeldzaam.

Vloeispaat (41), Kwarts (37) en Opaal (38) zijn soms violetachtig getint. Men onderscheidt ze gemakkelijk door hardheid en kristalvorm.

Chroomijzersteen (47) heeft soms eveneens een violetachtige tint, die echter lang niet zoo helder is als die van vloeispaat of amethist.

Daarbij is de korrelige habitus vrij kenmerkend tegenover de andere mineralen.

Bontkopererts (11) vertoont een violetten of bronsachtigen weerschijn. De streek is zwart. Anhydriet (44) lichtblauw of -violet, splijtbaarheid. Komt betrekkelijk zelden voor.

Apatiet (44a) kristalvorm en zuren.

Groen.

De eigenaardige vorm waarin

Malachiet (14) voorkomt is tegenover de andere groene mineralen reeds een goed onderscheid. Tevens is dit het eenige groene mineraal dat met zoutzuur opbruist en daarmede een groene oplossing geeft.

Talk (56) is direct te herkennen aan het vettige aanvoelen, soms is de kleur meer geelachtig groen, terwijl

Chloriet (05) waarmede het in vele eigenschappen overeenstemt, vuilgroen is.

Beide vormen aggregaten van blaadjes of schubjes en zijn zeer week.

Olivien (58) vindt men «Heen in oliegroene korrels en kristallen in sommige gesteenten. Het kan als zoodanig slechts met

Kwarts (37) verwisseld worden. Bij olivien is dikwijls de buitenrand bruinachtig en veel zachter dan het binnenste. Overigens komen olivien en kwarts zeer zelden in hetzelfde gesteente bij elkaar voor en is olivien beperkt tot vrij kenmerkende gesteenten: diabaas, melafier, bazalt en eenige andere. Sommige soorten van kwarts die niet in de gesteenten gevonden worden hebben ook een groene kleur (prasem enz.); de hardheid moet hier beslissen.

Vesuviaan (69) en Epidoot (68) zijn bijna altijd in meer of minder goed gevormde kristallen aanwezig, en worden bij voorkeur in kalksteen aangetroffen. Het onderscheid is bij dichte structuur dikwijls moeielijk. Ook Granaat (59) kan een bruingroene kleur bezitten.

Toermalijn (63) vormt soms lange meest dunne en gestreepte of gekerfde donkergroene zuilen en is reeds daardoor goed gekenmerkt; meestal is het mineraal zwart, of de zuilen vertoonen een opeenvolging van verschillende kleuren.

Apatiet (44») is dikwijls mooi groen en kan eigenlijk alleen met vloeispaat (41) verwisseld worden; kristalvorm en hardheid.

Serpentijn (57) bezit steeds doffe en meest ook een afwisseling van verschillende gele, groene en zwarte kleuren, soms regelmatig, soms niet. Het niet zelden voorkomen van granaat en olivien en de streek zyn goede kenmerken voor het steeds dichte mineraal.

Sluiten