Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuren en wrijven tegen elkaar, waardoor tevens een gladgeslepen oppervlakte ontstaat. Van daar dat men in de bedding van den midden- en benedenloop eener rivier bijna alleen zoogenoemde rolsteenen vindt, van geheel of gedeeltelijk afgeronden vorm.

Intusschen is het duidelijk, dat naarmate men meer de monding eener rivier nadert en dus de snelheid van het water vermindert, de grootte der hierdoor in beweging gebrachte stukken zal afnemen. De grootste meest nog scherpkantige blokken vindt men in den bovenloop, dan volgen grootere rolstukken, dan kleinere, vervolgens grof grint, grof zand, fijn zand en eindelijk de fijnste deeltjes (slib) die aan het water een troebel uitzicht geven. De zee ontvangt dus van de rivier slechts deze fijne deeltjes en naar omstandigheden wat zand dat langzaam op den bodem der rivieren wordt voortbewogen. De eerste worden nog een eind van bet strand af door de zeestroomingen en golven meegenomen, doch zinken van lieverlede naar beneden en eindigen met zich op den bodem der zee neer te zetten.

Waar dit gedurende langen tijd plaats heeft vormt zich een dikkere afzetting dezer deelljes van een vrij homogene samenstelling, die men in de geologie een laag noemt. De deeltjes zelf zijn bekend onder den naam van sedimenten en men spreekt van een sediment(aire)-afzetting.

De grootte der deeltjes wordt uit den aard der zaak hoe langer hoe kleiner hoe verder van het strand verwijderd zij neerslaan. Eigenlijk grof grint wordt echter slechts in zeldzame gevallen tot aan het strand getransporteerd; dit blijft gewoonlijk in het rivierbed achter.

Het spreekt van zelf dal de samenstelling dezer sedimenten niet overal dezelfde is en afhangt van de gesteenten waarvan zij afkomstig zijn. Ook kan natuurlijk de dikte der afzetting zeer ongelijk zijn.

Tevens is gemakkelijk in te zien dat zich oorspronkelijk de lagen in het algemeen horizontaal of slechts onder zeer geringe helling hebben gevormd. Dikwijls zijn zij echter later door de inwendige aardkrachten opgeheven en gebogen (Hoofdstuk IX). De leer dezer verschijnselen, van hunne oorzaken en van de gedaanten dezer in hare ligging soms zoozeer veranderde sedimenten, die daardoor niet weinig bijdragen tot de versiering onzer aardoppervlakte, daarvan als het ware de architektuur uilmaken, vormt een onderdeel der geologie dat men de architectonische of bouwkundige noemt.

Hoofdzakelijke samenstelling der lagen.

§ S9. Wie eenmaal in de gelegenheid is geweest op te merken hoe

Sluiten