Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toestand, voornamelijk kwarts, vloeispaat, granaat, epidoot, hoornblende, glimmer. Dit laatste mineraal brengt dikwijls een evenwijdige textuur teweeg, die den overgang vormt naar kalkglimmerschiefer (§ 100).

b. Dichte kalksteen.

Is eigenlijk slechts een kryptokristallijne varieteit (') van de eerstgenoemds en in den regel niet zoo zuiver als deze. Vooral koolzure magnesia (dolomiet), kiezelzuur en organische stoffen zijn dikwijls bijgemengd en oefenen hun invloed uit zoowel op de kleur als op de hardheid.

Niet zelden vindt men dunne adertjes van witte korrelige kalk in alle richtingen door den donkerder gekleurden dichten kalksteen heenloopen.

Deze laatste is in vele gevallen de verzamelplaats van een groot aantal fossielen en wordt ook wel daarnaar genoemd (Spatangenkalk, Orbitoidenkalk enz.). De in de Triasformatie (§ 184) voorkomende kalk bevat er zooveel van dat zij den naam «schelpkalk" (Muschelkalk) heeft verkregen.

Wordt het gehalte aan magnesia groot zoo noemt men het gesteente dolomietige kalksteen (§ 72). Behandelt men een stukje hiervan met koud verdund zoutzuur zoo lost de gewone kalk op en er blijft een poeder achter, dat eerst bij verwarming der vloeistof eveneens' met opbruisen oplost (onderscheid met kiezelkalk waarbij dit laatste poeder niet verdwijnt).

Door een bijmenging van kiezelzuur ontslaat de kiezelkalk, die harder is dan alle voorafgaande soorten (zelfs tot 6). Ofschoon niet sterk, bruist ook dit gesteente meest met zoutzuur op. Veelal zijn adertjes van calcedoon aanwezig.

Mergelkalk noemt men een kalksteen, die met een meer of minder groote hoeveelheid klei gemengd is. Wordt deze grooter dan gaat bet gesteente door den »kalkmergel" over in gewonen mergel (§ 73). Het onderscheid is dikwijls vrij willekeurig. De hardheid is wat minder dan die van zuiveren kalksteen; de breuk is dof, bijna aardachtig. De eigenaardige kleireuk (§ 73 en 106) is meest duidelijk merkbaar. Zeer dikwijls vindt men knollen van pyriet in het gesteente.

Op soortgelijke wijze ontstaan door een gehalte aan ijzeroxyde, zand of organische stoffen (bitumen): de ijzerkalksteen, zandkalk en bitumineuze- of stinkkalk; de laatste geeft indien zij gewreven of vergruisd wordt een onaangenamen reuk af, die soms aan petroleum herinnert.

De kalktuf is een meer of minder poreuze kalksteen en bezit daardoor

(') De overgang van de duidelijk kristallijn-korrelige gesteenten naar de voor ons oog dicht schijnende, wordt uitgedrukt door de benamingen mikro- en kryplokris/allijn. Bij laatstgenoemde structuur is ook met de loupe geen kristalvorm meer waar te nemen.

Sluiten