Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. GEMENGDE KRISTALLIJNE GESTEENTEN.

a. MA.§SIEF€;ESTEEKfTElV.

§ 80. ALGEMEENE EIGENSCHAPPEN EN KENMERKEN. In deze groep spelen de mineralen kwarts, veldspaat, glimmer, hoornblende, augiet en olivien verreweg de voornaamste rol en het verdient dus aanbeveling aan de herkenning van deze met het bloote oog of met de loupe de meest mogelijke aandacht te wijden. Tenzij de gesteenten een zoogenoemde steenachtige structuur bezitten, d. w. z. volkomen dicht schijnen, zoodat alleen met behulp van mikroskopisch onderzoek de samenstelling duidelijker wordt, zal men in de meeste gevallen, ook bij zeer fijnkorrelige gesteenten, met de noodige oefening een of meer der aanwezige mineralen kunnen bepalen. Bij de grofkristallijnkorrelige gesteenten b.v. graniet en gabbro kan men ze zelfs gewoonlijk alle herkennen.

De kleur, ofschoon niet onbedriegelijk, kan toch dikwijls goede diensten bewijzen. Zoo zijn b. v. zeer licht gekleurde bazalten nog niet gevonden en komen lichte granieten veel meer voor dan donkere. Zoo hebben porfierieten en hoornblende-andesieten dikwijls een bruinachtige tint en bezit diabaas bij voorkeur een groene, bazalt meer een blauw- of zwartgroene kleur.

In de derde plaats komt de porfierige structuur in aanmerking en de soort der mineralen, welke deze te voorschijn brengen. Gabbro b. v. komt nooit porfierig voor, echte graniet evenmin. Het porfierig optreden van kwarts in kristallen is in het algemeen een kenmerk voor kwartsporfier, daciet en kwartstrachiet, in de andere gesteenten vindt men het zelden als zoodanig. Zoo kunnen dioriet en diabaas, die bij fijnkristallijue structuur veel op elkander kunnen gelijken, dikwijls daardoor worden onderscheiden dat bij diabaas augiet in grootere kristallen zichtbaar is, wat bij dioriet niet voorkomt; trouwens diabaas vertoont veel meer neiging tot het vormen van porfierige structuur dan dioriet. Olivien als groene korrels in een dichte massa komt bijna uitsluitend bij bazalt voor, enz.

Een verwisseling van hoornblende en augiet kan dikwijls tot grove fouten in de bepaling aanleiding geven. In het algemeen kan men daarbij aannemen dat, waar zij porfierachtig afgescheiden voorkomen, de hoornblende meer lange en dunne, de augiet korte en dikke kristallen vormt. Zijn de eindvlakken of de prismahoek te zien, of de volkomen splijtrichting, dan is een vergissing natuurlijk niet meer mogelijk.

Een poreuze vorm wijst in den regel op een jongvulkanisch gesteente:

Sluiten