Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerstgenoemde drie mineralen: orthoklaas, plagioklaas en kwarts zijn altijd aanwezig. Een gesteente dat slechts hieruit bestaat heet apliet.

Door het optreden van de andere mineralen ontstaan verschillende granietsoorten, die een eigen naam verkregen hebben, doch veelal door overgangen verbonden zijn, t. w.:

a. met kaliglimmer (muscovietgraniet). Hiertoe behoort ook de pegmatiel, waarbij het gesteente zeer grofkorrelig wordt en de trikliene veldspaat bijna verdwenen is. In het algemeen zijn trouwens alle granieten dezer familie arm aan plagioklaas en rijk aan kwarts.

In sommige soorten komt in plaats van glimmer toermalijn voor (loermnlijngraniel). De habitus dezer gesteenten is nu eens apliet-, dan weer pegmatietachtig, terwijl de toermalijn niet zelden radiaalstralige aggregaten vormt (§ 26^;

b. met magnesiaglimmer (biotietgraniet); deze is een der meest voorkomende granietfamiliën, veel rijker aan plagioklaas dan de voorgaande;

c met hoornblende (hoornblendegraniet); slechts zelden vindt men deze lamilie zelfstandig optredende, in de meeste gevallen is ook biotiet aanwezig, zoodat een overgang naar b ontstaat, die men <1. hoornblendebiotietgraniet kan noemen; de betrekkelijke hoeveelheid der beide genoemde mineralen wisselt zeer af.

Zoowel de granieten b als c en d vertoonen de eigenschap dat soms de korrelgrootte plotseling vermindert en het gesteente tegelijk een donkerder kleur aanneemt. Men vindt dan in het gewoonlijk tamelijk licht gekleurde gesteente kleinere en grootere, soms eenigermate ronde, dan weer geheel onregelmatig gevormde gedeelten die donker en fijnkorrelig zijn en op het eerste gezicht den indruk geven van insluitsels van een ander gesteente. Aan de verweering schijnen deze laatste veel meer weerstand te bieden dan het hoofdgesteente, zoodat men aan den voet van granietbergen niet zelden alleen zulke donkere stukken vindt, terwijl deze toch in werkelijkheid de kleinste hoeveelheid vormen (vergelijk § 156);

e. met beide glimmersoorten (tweeglimmerige graniet); deze komt betrekkelijk weinig voor.

Overgangen van graniet komen voor naar dioriet (§ 90) door het verdwijnen van den monoklienen veldspaat; naar syeniet (§ 85) door het verminderen van kwarts (syenietgraniel) waarbij tegelijk hoornblende optreedt; en naar gneiss (§ 97) door liet schieferig worden der textuur (gneisigraniet).

Hij de verweering van graniet ontstaat uit den veldspaat een witte massa:

Sluiten