Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veldspaten porfierachtig kon worden, doch dal de grondmassa daarbij nooit bepaald dicht wordt, wat bij diabaasporfieriet dikwijls wel het geval is.

Bij de diabaasporfiericten komt in grootere kristallen afgescheiden zoowel plagioklaas als augiet voor en niet zelden beide te zamen. Al naarmate een dier mineralen in de meerderheid was onderscheidde men vroeger augietpor fier en labrador por fier, welke namen dus bij de hier gevolgde indeeling vereenigd zijn.

Het

b\ plugiĆ³klaus-dialluag-gesteente

heet:

25. GABBRO.

Het is steeds een korrelig gesteente, nooit porfierig of dicht; de bepaling der mineralen wordt hierdoor natuurlijk zeer vergemakkelijkt. Ook hier treedt soms olivien op (<oliviengabbro). De kleur is meest vrij donker, eenigszins gevlekt doordat zoowel de lichtgroene veldspaat, als de bruine of donkergroene diallaag in groote kristallen voorkomt.

Vooral de oliviengabbro's zijn dikwijls geheel of gedeeltelijk in serpentijn veranderd, en in het algemeen komt dit laatste gesteente niet zelden in gezelschap van gabbrogesteenten voor.

De derde groep van plagioklaas-pyroxeen-gesteenten omvat die met rhombischen pyroxcen en men zou hier dus weer een drietal ondergroepen moeten onderscheiden, al naarmate hypersteen, enstaliet of bronciet voorkomt. Wij beperken ons hier echter tot een korte beschrijving van de

b3. plagioMaas-hjjpersteen-gesteenten

die men kan samenvatten onder den naam

Se. NORIET.

Op het oog zijn zij in de meeste gevallen moeilijk te bepalen; waar zij vrij grofkorrelig zijn lijken zij veel op gabbro; wordt het korrel fijner zoo bestaat veel overeenkomst met diorieten en bij zeer fijnkorrelige structuur,

Sluiten