Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oorzaken dier krachten. Het is voldoende te weten dal zij in de aarde zelf ontstaan en dat zij in onmiddellijk verband slaan met het feit dat de aarde van lieverlede meer afkoelt.

Men neme nu de volgende proef: eenige langrechlhoekige lappen niet te dun laken worden op elkaar gelegd; er boven op wordt een niet zwaar voorwerp b. v. een portefeuille geplaatst, zoodat het grootste gedeelte van het laken bedekt is doch een der smalle uiteinden vrij blijft (fig. 80a). Op dit uiteinde drukt men met de rechterhand en beweegt die met het laken in de richting van de portefeuille; met de linkerhand houdt men het andere smalle uileinde tegen: men ziet dan dat het laken zich onder de portefeuille in plooien zet en wel het slerkst bij de rechterhand (fig. 80"). Ditzelfde verschijnsel n. 1. dat de plooien aan één zijde het sterkst zijn en van lieverlede vervlakken neemt men eveneens in de natuur bij de sedimenten waar en men is het er tegenwoordig dan ook algemeen over eens dat de krachten, welke de plooiing der lagen hebben veroorzaakt, een nagenoeg horizontale richting hebben gehad.

Een vraag echter, die zich onmiddellijk opdringt, is deze: •boe is het mogelijk dat de in den regel harde en broze gesteenten in staat waren zich zoo te laten plooien?" Een uitvoerige bespreking dezer vraag past niet in het kader van dit werk en wij zullen dus alleen het volgende opmerken: le. dat proeven, in het klein genomen, de bedoelde mogelijkheid ten volle hebben aangetoond;

2e. dat de plooiingen in de natuur volstrekt niet altijd zonder breken en barsten der lagen hebben plaats gehad; men kan dit zoowel in het groot aan de lagen zelf als in het klein door mikroskopisch onderzoek waarnemen (zie ook § 121);

5e. dat die krachten wel met groole intensiteit, maar uiterst geleidelijk en langzaam hebben gewerkt en het is bekend dat hierdoor de samenhang der deeltjes veel minder wordt verbroken dan door een plotseling aangewende kracht;

4e. dat de meeste vaste stoffen door zeer grooten druk in meer of minder plastischen, weeken, toestand geraken en een onderlinge verschuiving der deeltjes dan gemakkelijk plaats heeft.

Intusschen hebben niet alle inwendige aardkrachten een horizontale richting: er zijn er ook die meer of minder loodrecht werken; deze buigen de lagen niet, doch richten ze op en wel natuurlijk gewoonlijk niet gelijkmatig zoodat ten gevolge daarvan hellende lagen ontslaan (fig. 88 en 90 links). Eenmaal in een hellenden sland gekomen kunnen zij door horizontale krachlen nog steiler,

Sluiten