Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderzoekingen een welkom hulpmiddel bij de vaststelling van den betrekkelijken ouderdom der lagen.

Zeer jonge gesteenten liggen gewoonlijk geheel of nagenoeg horizontaal en in het algemeen zullen de oudste lagen ook de meest verstoorde zijn, wat gemakkelijk is in te zien, daar zij zooveel langer aan de inwerking der aardkrachten hebben blootgestaan. Toch hebben soms en met name in ïndië en in andere streken waar veel jonge vulkanen worden aangetroffen, ook de tertiaire sedimenten niet onbelangrijke verstoringen ondergaan.

§ MMS. VALSCHE SCHIEFERING EN ANDERE SPLIJTRICHTINGEN. In de geologische praxis heeft men bij de bepalingen van helling en strijken soms nog met een andere en niet geringe moeilijkheid te kampen: n. 1. wanneer men te doen heeft met lagen die behalve de eigenlijke voegvlakken nog andere vlakken vertoouen, welke hetzij door valsche schiefering (§ 104) hetzij door andere oorzaken zijn ontstaan. In jonge, sterk verstoorde sedimenten nam ik dikwijls vier en meer richtingen waar waarlangs het gesteente gladde vlakken vertoonden en het is dan niet zelden zeer lastig de werkelijke oorspronkelijke voegvlakken te vinden. Men gaat dan op de volgende wijze te werk: Bij aandachtige beschouwing ziet men al spoedig dat enkele dier richtingen, al lijken zij op hel oog evenwijdig, dit toch in werkelijkheid niet zijn; meestal zijn ook de vlakken niet zeer recht: men kan er dan zeker van zijn dat dit niet de ware voegvlakken zijn. Er blijven zoodoende twee (of hoogstens drie) richtingen over die men als laagrichting kan beschouwen. Beslaat iu het geheel geen aanleiding om de eene richting boven de andere te verkiezen, zoo bepaalt men strijken en helling vau beide (of alle drie) en herhaalt de waarneming op een andere plaats van hetzelfde voorkomen.

Er kunnen zich nu meerdere gevallen voordoen.

a. de sedimentformatie beslaat uil verschillende gesteenten maar is overigens gelijkmatig heliend en niet geplooid. Men zoekt een contactvlak op b. v. van schiefer en zandsteen en weet dan natuurlijk onmiddellijk het laagstrijken;

b. de formatie is geplooid. In dit geval verandert het laagstrijken (of de helling) naarmate de plaats van waarneming. De valsche schiefering daarentegen bezit de eigenschap over groote afstanden vrij wel constant te blijven en is dus daaraan dadelijk te herkennen (zie flg. 90);

c. de formatie is niet geplooid en bestaat overal uit betzelfde gesteente b. v. kleischiefer. Dit is een der lastigste gevallen, dat alleen door zeer zorgvuldige bestudeering van het gesteente kan worden opgelost. Men zoeke b. v. naar hardere coucreties die dan door de valsche schiefering niet

Sluiten