Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelden midden door gespleten zijn, doch met hun breede vlakken evenwijdig met het laagstrijken of met de helling zijn gelegen; — men onderzoeke of op sommige vlakken wellicht afdrukken van planten voorkomen (deze zijn dan in kool veranderd en dus glanzend zwart): zulke vlakken zijn dan zeker voegvlakken; — de eigenlijke voegvlakken zijn in den regel iels meer ruw en doffer dan die der valsche schiefering; — men geve meteen mes langzaam een lange streek over de verschillende vlakken: op het echte voegvlak zal die kras gelijkmatig zijn, terwijl die op het vlak der valsche schiefering dikwijls een al is het ook weinig merkbare afwisseling van harder en zachter vertoont, (een gevolg van de in den regel niet geheel gelijke samenstelling der schieferlagen).

Geeft geen dier proeven een betrouwbaar resultaat zoo trachte men dit op een andere plaats van hetzelfde voorkomen te vinden en gewoonlijk komt men met het noodige geduld wel tot een bevredigende oplossing.

Is behalve de vlakken van schiefering en valsche schiefering nog een derde richting aanwezig waarnaar het sediment goed gespleten is, zoo herkent men deze met eenige oplettendheid spoedig genoeg aan de mindere regelmatigheid in een of ander opzicht.

Bij mergels komt het herhaaldelijk voor dat zij langs het geheele uitgaande zóó sterk gescheurd, gespleten en klein verbrokkeld zijn, dat men de eigenlijke laagvlakken niet kan vinden. Wil men aan die vindplaats werkelijke bepalingen verrichten zoo blijft niets anders over dan een gedeelte van het gesteente aftegraven totdat de verbrokkeling ophoudt. Men verkeert dan in het bovengenoemde geval. Gewoonlijk zal dit echter speciaal in het geval van mergel niet absoluut noodig zijn, daar de afzettingen ervan meest niet die machtigheid bezitten, welke men soms bij kleischiefers opmerkt zoodat men bij het vervolgen der ontblooting dikwijls spoedig een hangend of liggend tot dezelfde afzetting behoorend en dus met den mergel concordant liggend gesteente aantreft, waaraan de waarnemingen kunnen worden verricht.

Wijze van voorkomen der niassleffgesteenten.

§ 116. Deze zijn in hun voorkomen geheel verschillend van de sedimentgesteenten, hetgeen in de eerste plaats samenhangt met hun ontstaan. Van vele massiefgesteenten is het bewezen dat zij in gesmolten toestand aan de oppervlakte der aarde zijn gekomen en ofschoon het bewijs voor andere nog niet geleverd is, wordt een dergelijke oorspronkelijke toestand ook voor deze door velen als zeer waarschijnlijk aangenomen.

Sluiten