Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de zooeven genoemde uitdrukking kan reeds worden afgeleid dat ook nog een andere soort verwerping bestaat en dit is inderdaad het geval.

Stelt men zich nogmaals een ongeveer horizontale kracht voor, die de lagen plooit, zoo zal eerst lig. 104 ontstaan. Werkt de kracht echter daarna nog langer in, dan zullen de lagen sterker geplooid worden doch onder bepaalde omstandigheden zal het mogelijk zijn dat zij ten slotte scheuren en dat b. v. AA achtereenvolgens de gedaanten krijgt als in fig. 109 tot 112 is voorgesteld en dus eindelijk over de andere heen geschoven wordt. Ook op deze wijze ontstaat dus een verwerping, die plooiverwerping genoemd wordt en die zich van een spleetverwerping hierdoor onderscheidt dat de verwerpingsspleet bijna altijd tamelijk vlak invalt en dat het hangende dier spleet niet is gezakt maar integendeel gerezen is. In horizontale projectie vertoont zich het verschijnsel als fig. 103.

Omgekeerd kan men ook zeggen dat een vlak hellende spleet bijna altijd met een plooiverwerping, een steil hellende met een spleetverwerping samenhangt. Het groote belang van deze wet zal hieronder blijken.

Nog moet worden opgemerkt dat de spleet bij een plooiverwerping, zooals uit de figuren duidelijk te zien is, geheel of nagenoeg hetzelfde strijken moet bezitten als de lagen; bij een spleetverwerping kan dit eveneens het geval zijn, de ondervinding heeft echter geleerd dat het meestal niet zoo is.

Een plooiverwerping is dus altijd wat men noemt een strijkende verwerping; een spleetverwerping is betrekkelijk zelden strijkend, meestal maakt de richting der spleet een vrij grooten hoek met die der lagen, waarom men dan van diagonaalverwerping spreekt; bij een dwarsverwerpinq zijn beide richtingen loodrecht, waarbij echter de vlakken van de lagen en van de spleet niet onderling loodrecht behoeven te staan.

§ 122. EIGENSCHAPPEN DER VERWERPINGEN. De verwerpingsspleet en een der verworpen lagen (onverschillig welke) snijden elkaar in werkelijkheid volgens een prisma; in teekening kan men spleet en laag echter als een wiskundig vlak zonder dikte aannemen en dan snijden zij elkaar volgens een lijn, die met de strijkrichting van de spleet een zekeren hoek insluit, dien men overeengekomen is in het ligqende van de laag te meten. Bij strijkende verwerpingen is die hoek natuurlijk = 0, bij dwarsverwerpingen altijd scherp, bij diagonaalverwerpingen zou de hoek stomp zijn indien niet het hangende maar het liggende der spleet gezakt was (wat in de natuur zelden voorkomt), gewoonlijk is hier die hoek eveneens scherp. Men noemt die hoek: verwerpingshoek.

Sluiten