Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1S7

Zie hierover nader de figureu op PI. VIII.

Het zal niet ondienstig zijn nog op eenige eigenschappen te wijzen die tot

een herkenning van de eene of de andere soort van verwerpingen kunnen leiden.

a. De spleten of scheuren bij een plooiverwerping ontstaan bij en ten gevolge van de plooiing; hangende en liggende worden met kracht over elkaar geschoven en de spleet wordt daarbij opgevuld met de afgebroken en fijn gemalen stukken van het nevengesteente. Gelegenheid tot latere doorstrooming van metaalhoudende vloeistoffen is daardoor slechts in geringe mate gegeven, met andere woorden de plooiverwerpingsspleten leveren als regel geen mineraalgangen.

Geheel anders is het bij een gewone spleetverwerping. In de eerste plaats ontstaat de scheur vóórdat de inzinking plaats heeft en het is te veronderstellen dat deze laatste niet met geweld doch tamelijk gelijkmatig geschiedt. Was de scheur zuiver plat en vlak zoo zou geen reden te vinden zijn waarom zij zich zou verwijden ; dit zal echter in de natuur slechts zeer zelden het geval zijn door de ongelijkmatige samenstelling, hardheid en taaiheid der verschillende lagen. Een scheur zal dus in het algemeen den vorm hebben zooals in fig. 100a is voorgesteld. Er is dus dikwijls niet eens een aanzienlijke verzakking noodig om de spleet te verwijden zooals fig. 1006 aangeeft. Dit is tegelijk de verklaring van het leit dat verreweg de meeste breedere ertsgangen zeer verschillend in afmetingen zijn. Natuurlijk zullen ook bij de afglijdende beweging stukken van het nevengesteente worden afgebroken en in de spleet vallen; deze zal echter daardoor niet geheel worden gevuld en er zal dus voor metaalhoudende vloeistoffen gelegenheid bestaan ertsen af te scheiden. De meeste spleetverwerpingen hebben mineraalgangen geleverd en omgekeerd zijn de meeste breedere en lange ertsgangen tevens afkomstig van spleetverwerpingen.

b. Plooiverwerpingen zijn uit den aard der zaak gebonden aan sterk verstoord terrein en wel speciaal aan de zadels en geulen er van; spleetverwerpingen kunnen overal optreden, zoowel in sedimentaire als in massieve gesteenten.

c. Plooiverwerpingen kunnen alleen optreden bij lagen en lagers, niet bij gangen, want deze laatste zijn jonger dan het nevengesteente en dus ook jonger dan de plooien en andere verstoringen er van.

d. Slechts zelden treden verwerpingen en met name de spleetverwerpingen geïsoleerd op; in den regel heeft de inzakking niet in haar geheel langs een enkel vlak, doch bij gedeelten langs min of meer evenwijdige vlakken plaats gehad, zooals dit in fig. 125 is geteekend; men noemt dit eeu trapvormige- of terrasverwerping.

Sluiten