Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ ÊtS. DEKKENDE EN NIET-DEKKENDE VERWORPEN LAGEN. Wij moeten nog met een enkel woord wijzen op een andere eigenschap der verwerpingen. In fig. 106 is het hangende gezakt; in fig. 107 is het geval voorgesteld dat het liggende gezakt of, wat hetzelfde effect geeft, het hangende gerezen (overgeschoven) is. Brengt men nu van de oppervlakte een boorgat neer in het punt P dan zal men in het eerste geval geen enkele laag en in het tweede geval twee lagen ontmoeten, met andere woorden men verkrijgt in beide gevallen een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid. Men zegt dan dat de verworpen lagen elkander al of niet (over)dekken. In overigens onbekend terrein is het dus altijd aan te raden minstens drie boorgaten te maken die niet in eenzelfde rechte lijn zijn gelegen maar b. v. een ongeveer gelijkzijdigen driehoek insluiten en die niet te dicht bij elkaar zijn geplaatst.

§ 1M. VERTAKKING EN VERDRUKKING VAN LAGEN. Erts- en vooral koollagen zijn dikwijls niet over de geheele dikte met ontginbaar materiaal gevuld, doch de laatste door een of meer (meest schiefer-) laagjes in dunnere banken verdeeld. Het voorkomen van zulke kleibanden kan vooral bij niet zeer dikke koollagen aanleiding geven dat de kwaliteit der gewonnen kool door verontreiniging met schiefer vermindert.

Opmerking verdient nog het feit dat soms een oorspronkelijk zeer dun schieferlaagje s langzamerhand een grootere dikte kan verkrijgen, waardoor dan de laag k in twee tamelijk ver van elkaar verwijderde deelen kt en wordt gescheiden (fig. 116). Men noemt dit een verlakking (vergelijk fig. 95 § 111).

Eindigt een laag niet plotseling doch wordt zij langzamerhand dunner, terwijl zij zich op eenigen afstand weer verdikt, dan zegt men dat zij verdrukt is; soms gaat zij dan over in een uiterst dun uit klei of schiefer bestaand laagje. Indien de laag dus door verdrukking verloren is gegaan heeft men slechts het scheiding slaag je bb te volgen om haar weer op te zoeken (fig. 108). Een herhaaldelijk verdrukte dikke laag heeft natuurlijk een groote overeenkomst met een reeks lagers.

§ 199. GANGGESTEENTE, NEVENGESTEENTE. Het kenmerkende onderscheid lusschen gangen en lagen is dat de eerste in richting of helling, of in beide afwijken van die van het omgevende sedimentgesleente, en dat zij jonger zijn dan dit laatste.

In massiefgesteenten kunnen alleen gangen, geen lagen optreden, doch

HINEBALOGIB Elf GEOLOGIE. JJ

Sluiten