Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK X.

ALGEMEENE INVLOED VAN VERWEERING EN EROSIE OP DE GESTEENTEN.

Algeineene kenmerken en gevolgen van verweering en erosie der gesteenten.

§ 192. Verweering is de invloed, dien de gesteenten en mineralen van scheikundige werkingen ondervinden; de mechanische uitwerkingen zooals vergruizing enz. zijn hier dus buitengesloten. Mineralen die zich in een toestand van verweering bevinden verliezen doorgaans hun glans, verminderen in hardheid en veranderen van kleur.

De snelheid waarmede dit geschiedt hangt natuurlijk af van de vatbaarheid van het mineraal voor de invloeden, die de verweering veroorzaken.

Een gesteente verweert dus in het algemeen moeilijker, naarmate het meer uit mineralen is samengesteld die aan deze invloeden weerstand bieden.

Onder deze laatste categorie moeten vooral het kwarts en de kiezelzure aluinaarde genoemd worden. Gesteenten zooals kwartsiet die geheel uit de eerste, of klei welke bijna geheel uit de laatste slof zijn opgebouwd, verweeren dan ook zoo goed als niet.

Deze scheikundige invloeden worden in hoofdzaak teweeggebracht door het water en de atmosfeer. Zij zijn tweeërlei n. 1. oplossende en dus wegvoerende, en eenvoudig veranderende

Zooals reeds § S3 is opgemerkt zijn slechts weinig mineralen direct oplosbaar in water, doch een groot aantal wordt door het koolzuur, dat in water en lucht aanwezig is, aangetast en daardoor in een toestand gebracht die ze voor oplossing in water in meerdere of mindere mate geschikt maakt (§ B4).

Deze vorming van zoogenoemde koolzure zouten of carbonaten is een zeer belangrijk verschijnsel in de natuur en een der hoofdoorzaken van de verweering der gesteenten.

De voornaamste gesteentevormende mineralen: veldspaat, augiet, hoorn-

Sluiten