Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook wel van ander moeilijk verweerbaar materiaal, — niet zelden als muren boven het omringende geërodeerde gesteente ziet uitsteken. Dergelijke gangen zou men naar het voorbeeld der Engelschen dijken kunnen noemen.

Bijzondere invloed der verweering op de verschillende gesteenten.

§ 13 J, VER WEERING (EROSIE) VAN KALKSTEEN. Onder de in water direct oplosbare gesteenten is kalksteen door zijn groote geologische verbreiding ongetwijfeld het belangrijkste.

Een kalkgebergte is in de meeste gevallen reeds op een afstand aan zijn fantastische en grillige vormen, niet minder dan aan zijn steile, dikwijls naakte en witte wanden te herkennen. De eerste ontstaan gewoonlijk doordat de oplossende werking zich in de spleten van den kalksteen het spoedigst kon doen gevoelen, en deze tot smalle en diepe kloven verwijdde die, in verschillende richtingen loopend, onregelmatig gevormde blokken tusschen elkaar overlieten (Hg- 126).

Is de kalksteen geheel zuiver, zoo is ook de oplossing volkomen en blijft van het geërodeerde gedeelte niets over. Bijna altijd echter bevat het gesteente eenige procenten van een kleiachtige zelfstandigheid, die bij de erosie achterblijft (indien zij niet door stroomend water wordt weggespoeld) en dan een voor den plantengroei geschikten bodem vormt. Van daar dat men in de dalen en verdiepingen van een kalksteengebergle gewoonlijk een dichte begroeiing aantreft, die scherp tegen de naakte witte steile wanden afsteekt.

Een eigenaardigheid van vele, zoo niet van alle kalkgebergten is het voorkomen van holen of grollen: onderaardsche min of meer uitgestrekte holten die door het water uitgewasschen zijn.

Niet zelden dienen de grotten geheel of gedeeltelijk tot doorgang eener rivier en zijn en waren zij een geliefkoosde verblijfplaats van dieren, vroeger ook van meuschen, wier overblijfselen daarin nog dikwijls worden aangetroffen.

De meeste grotten bezitten de zoogenaamde druipsleenen, kalkkegels, waarvan de top hetzij naar beneden hangt, hetzij naar boven gekeerd is en die een groote lengte en dikte kunnen bereiken. Zij ontstaan doordat water, dat door de kleine scheuren in hel gewelf der grot te voorschijn komt en natuurlijk met kalk verzadigd is (zie § 55), druppelsgewijze naar beneden komt en hetzij valt, hetzij hangen blijft, doch in beide gevallen langzaam verdampt en daarbij de opgeloste koolzure kalk terugiaat. Het is gemakkelijk in te zien dat ten gevolge van een langdurige herhaling van dit verschijnsel de kalkkegels zullen ontstaan.

Sluiten