Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedwongen worden haar oorsprong op steeds korter afstand van m te verleggen, terwijl de waterscheiding in de richting van a naar m zich verplaatst. Er kunnen nu twee gevallen voorkomen:

le. deze verplaatsing zal tusschen a, en m een punt bereiken waar het nieuwe punt a even hoog ligt als het nieuwe punt o1: dan verkeeren de beeken in den bovengenoemden toestand d. w. z. de waterscheiding tusschen beide zal onveranderd blijven, doch zoolang verlaagd worden tot geen verdere erosie meer mogelijk is;

2e. de verplaatsing der waterscheiding kan tot voorbij m doorgaan, omdat a nog steeds dieper ligt. Dan wordt het gedeelte opm der rivier A door het stroomgebied van de rivier B geannexeerd en er ontstaat wat door figuur 139 wordt voorgesteld; men ziet de rivier o m in een scherpe bocht het gebergte doorbreken en bij r in de oorspronkelijke richting verder vloeien, terwijl tusschen m en » bijna verbooging van het terrein zichtbaar is en het dus schijnt alsof het water van o m veel gemakkelijker in de richting van n zou hebben kunnen afvloeien.

Deze s/rijd om de waterscheiding kan men bij opmerkzame beschouwing in alle gebergten, in verschillende ontwikkeling terugvinden; hij is een der oorzaken van de groote veranderingen, welke in den loop der lijden de rivieren hebben ondergaan, doch er behoort dikwijls veel scherpzinnigheid en opmerkingsgave toe om, indien de strijd eenmaal geëindigd is, de oorzaak er van nauwkeurig op te sporen.

§ ÊSi. Als laatste geval stellen wij dat een oorspronkelijk gevouwen bergland zoover is geërodeerd dat slechts het onderste gedeelte der vouwen is overgebleven, terwijl de geërodeerde oppervlakte slechts weinige oneffenheden vertoont. Later kan dit geheele terrein P (fig. 154) door jongere sedimentgesteenten 0 overdekt zijn geworden en kunnen zich in het laatstgenoemde rivierstelsels hebben ontwikkeld. Veelal zal Q een tafelland vormen (§ 146) en de erosie zal daarin een neiging hebben om loodrecht naar beneden te werken. Ligt de zeespiegel zz als in fig. 142 tijdens het verloop der erosie laag genoeg, zoo zal deze laatste ook het onderliggende gesteente P aangrijpen, doch gedwongen zijn daarin in het algemeen eveneens loodrecht naar beneden te gaan, dus onafhankelijk van de richting der lagen en van hunne meerdere of mindere zachtheid.

Loopt de helling van het boventerrein in de richting van het pijltje, zoo ziet men dat een rivier van A naar B loopende, deze laatste hoogere verhevenheid moet doorbreken. Wordt later door erosie het gesteente Q, dal in vele

Sluiten